Je bent hier:

Voorpagina > Weekblad > Interviews > Cabaretier Carolien Borgers wil schattig lijken, maar het niet zijn


Cabaretier Carolien Borgers wil schattig lijken, maar het niet zijn

06 oktober 2009 / Ianthe Sahadat

Carolien Borgers

Carolien Borgers  Foto: Maarten Noordijk

Af en toe twijfelt de jonge cabaretier Carolien Borgers (26) nog over het nut van haar werk. Maar steeds vaker wordt ze bevestigd in haar overtuiging: zingen, grappen maken over ijdelheid en seks, mensen in verwarring brengen – dat is wat ze móet doen.

Op het podium verschijnt een meisje. Sexy jurkje, mooi krulhaar, lieve glimlach. De zaal applaudisseert, een paar mensen fluiten zelfs. Al klappend zet ze een ritme in. Ze stampt mee met haar laarzen en begint te zingen: ‘We will, we will rock you’. Hoog, schel en vals. Via Youtube zie je de zaal verstijven: dit moet een vergissing zijn.

Cabaretier Carolien Borgers (26) speelt graag met haar lievemeisjesuiterlijk. ‘Schattig lijken, maar het niet zijn. Dat vind ik leuk.’ Hoewel ze het stellig zegt, was het niet van meet af aan haar gimmick. Borgers studeerde in 2005 af aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie met een ontroerend liedjesprogramma. Collega-liedjesschrijver Maarten van Rozendaal werd boos: je presenteert jezelf als mooi lief meisje, maar je bent zoveel meer. Je moet je kut laten zien, zei hij. ‘Hij had gelijk. Ik verschool me achter die lieve liedjes en de piano. Maar als je van nature fel en scherp bent, kun je niet op het podium het brave meisje zonder mening spelen. Daar trapt het publiek niet in.’

Wie is Carolien Borgers?

Geboren: 7 juni 1983, Breda

Opleiding: vwo Etten-Leur (2001), Amsterdamse toneelschool en kleinkunstacademie (2005)

Carrière: Ren Lenny Ren, rockopera van Acda en de Munnik (2005), eindexamenvoorstelling de Vuurtorenwachtersdochter (2005), solovoorstelling Snars (2008/9) en vanaf 2010 met nieuwe voorstelling Makkelijk Praten op toernee.

Verder doet Borgers presentatie- en reclamewerk. Ze woont in Amsterdam-West.

Ze toerde met de rockopera Ren Lenny Ren van Acda en de Munnik door het land. En met de cabarestafette, voor ‘veelbelovende jonge cabaretiers’. Vorig jaar speelde Borgers haar eerste solovoorstelling Snars, door theaters omschreven als ‘wervelende show vol levensterreur’. In het programma maakt ze dankbaar gebruik van haar ‘lieve’ verschijning en initiële onzekerheid in het vak. Het was zo’n succes dat haar debuutshow dit seizoen in reprise gaat in grotere theaters.

Je hoort vaak: vrouwen zijn toch helemaal niet grappig.

‘Tot op zekere hoogte klopt dat ook wel. Ik ken meer grappige mannen dan vrouwen. Maar de grappige vrouwen die ik ken zijn niet minder grappig. Ze zijn dun gezaaid, omdat meisjes anders worden opgevoed en vriendinnen onderling niet via humor communiceren. Jongens wel. Humor kun je kweken. Het is een manier van kijken naar dingen. Een beetje aanleg is wel handig natuurlijk.’

Hoe heb jij het geleerd?

‘Meisjes praten over relaties, zware dingen. Ze analyseren. Maar ik ben altijd veel met jongens opgetrokken. Ik was geen meisje-meisje, hield van voetballen en skaten. Dan moet je wel grappen maken, anders kan je gewoon niet mee. Het maakt alles makkelijker. Iets onverwachts zeggen, de sfeer breken. Dat heb ik ontdekt over humor, het gaat ademen. Het kietelt ook wel als je een goeie grap maakt en mensen lachen – dat is een heel fijn gevoel. Fijner dan iemand die zegt: dankjewel je hebt me echt geholpen, ik weet nu beter wie ik ben. Dat is ook fijn, maar het is leuker als iemand lacht.

‘In het theater merk ik wel dat mensen het niet gewend zijn. Een meisje in een mooi jurkje dat grove dingen zegt en harde grappen maakt. Soms komen mensen naderhand naar me toe: moet je nou zoveel schelden? Terwijl ik helemaal niet veel scheld, maar door mijn foto op de poster denken ze waarschijnlijk: oh, daar kunnen we wel naar toe, dat is lekker veilig.’

Haar podiumliefde ontlook – ‘cliché hè?’ – op de lagere school. Als zesjarige deed Borgers mee aan een playbackshow. Ze deed Ik voel me zo verdomd alleen, uit Ciske de Rat. ‘Maar ik begreep het principe van playbacken niet zo goed en zong mee. Keihard. Toen zei juffrouw Bertha: ‘Dat was heel goed wat jij deed.’ Ik dacht hè, echt? Ik had geen techniek, het waren maar vijf noten, omhoog kon ik niet, maar wel heel hard.’

Ze bleef zingen, in coverbandjes, maar vooral in het theater. ‘Ik wilde niet per se muzikant worden. Dat vond ik te eenzijdig, maar ik wilde wel op een podium staan. Toneelspelen, verhalen vertellen. Op een poppodium voel ik me niet op mijn gemak. De sfeer is er anders. In het theater is de code: dit zijn de vier muren en als je binnenkomt bepaal ik wat er de komende anderhalf uur gaat gebeuren. Jullie mogen gaan zitten en ik probeer jullie mee te nemen. Dat is voor mij de magie van theater. Bij een concert is het geweldig als de zaal uit zijn dak gaat, maar het is minder persoonlijk, minder kwetsbaar ook. In een theater is je kwetsbaar opstellen noodzaak. Puurheid, eerlijkheid. Je staat er ook echt gewoon op dat moment een verhaal te vertellen.’

Dus na het vwo meteen naar de kleinkunstacademie.

‘Ik wilde wel, maar durfde niet te kiezen. Bijna ben ik nog rechten gaan studeren. ‘Iets normaals’, zoals mijn vriendinnen. Ik kwam uit Etten-Leur. Hoezo zou ik goed zijn in het theater? Ik had een sterke wens tot bevestiging. Er waren wel mensen die zeiden: daar moet jij iets mee. Maar dat was nog steeds in Etten-Leur. Pas toen ik via een scholenproject op radiozender 3FM mocht zingen, veranderde dat. Ineens werd ik gebeld door een producer die zei ‘ik wil met jou werken, ik vind je goed’. Dat was bijzonder. Voor het eerst was er iemand van buiten die iets in me zag. Dat sterkte me, ik begon te denken: oh dus ik kan dit wel echt.’

Borgers ging naar de kleinkunstacademie. In 2001, het jaar dat de opleiding net gefuseerd was met de toneelschool. De leerlingen kregen de ene dag les van Paul de Leeuw, de volgende dag van toneellegende Ton Lutz.

Hoewel ze het toneelspelen leuk vond, haalde ze er niet dezelfde intense sensatie uit als bij het zingen. ‘Ik vind toneel mooier om naar te kijken dan om zelf te doen. Ik transformeer van nature makkelijker naar mijzelf op een podium dan naar een personage. Als ik een lied zing, voel ik zoveel meer. Het horen van je eigen geluid.’ Wijzend: ‘Hier, in mijn buik. Dan valt het samen met wie ik ben’, zegt ze, terwijl ze limonade inschenkt aan haar keukentafel – roodwit geblokt kleedje, geelgroene muur – in Amsterdam West. Vanuit de keuken is de piano in de slaapkamer zichtbaar, de tuin wordt overwoekerd door brandnetels.

Ging het als cabaretier meteen goed?

‘Oh, nee. Ik heb vaak gedacht: dit werkt niet, dit is niet goed. Op school was alles nog vrij veilig, maar toen ik voor het eerst ging try-outen met mijn eigen programma, ben ik een aantal keer snoeihard op mijn bek gegaan. Ik probeerde op het podium te doen wat ik anderen zag doen. Het publiek zat er echt zó bij. (Speelt een verveelde gefronste blik, achterover geleund) Vreselijk. Aaaah, dacht ik dan, ze hebben geen idee wat ik aan het doen ben. En erger nog: ik ook niet.’

Blijkbaar heb je het succesvol bijgeschaafd. Je gaat in grotere zalen spelen. Maakt dat nog wat uit?

‘Het is een totaal andere dynamiek. In kleine zalen heb je een vlakke vloer. Jíj kijkt tegen het publiek op. In grote zalen kijken zij, vanuit de bak naar jou op. Van klein en bescheiden ga je naar ‘I rule’. Daar moet je mentaal klaar voor zijn.’

En dat ben je?

‘Volgens mij wel. Ik heb onlangs op de Amsterdamse Uitmarkt mijn nieuwe materiaal uitgeprobeerd. Ik stond in het Compagnietheater geprogrammeerd. Voor mij is dat een gerenommeerde zaal en ineens sta ík daar. In mijn eentje op het podium. Het was doodeng. 260 mensen in de zaal en nog 80 erbuiten. Allemaal voor mij, denk ik dan. Oké, het is natuurlijk gratis, dus het zegt niet zo veel. Maar toch. Twee jaar terug stond ik ook op de Uitmarkt en toen was er een handjevol mensen.

‘Dan gaan er dingen goed en slecht. Van die punchlines die niet vallen, dat er niemand lacht. Dan wacht je even, denk je ‘nu komt-ie’ en dan komt er niks. Note to self: die gaat er uit, denk ik dan.’

Het haalt je niet meer onderuit?

‘Nee. Vroeger zou ik hebben gedacht: ze vinden mij niet leuk, ze willen weg. Nu denk ik alleen maar, oké ik was dus niet duidelijk genoeg. De sprong was te raar of de timing niet goed. Nu weet ik, daar is een try-out ook voor: je probeert. Het publiek vergeeft je ook wel wat.’

Laatst trad Borgers nog op voor een zaal met welgeteld zeventien mensen. Op de Uitmarkt in Druten. Lachend: ‘Fijn dat jullie er wél zijn, heb ik gezegd.’ Vroeger zou het haar geraakt hebben. Nu denkt ze: slecht aangekondigd, stom van de organisatie. Hoewel ze hoopt dat in de toekomst haar naam alleen al genoeg is om volle zalen te trekken. Vrolijk: ‘Maar zo is het nu gewoon nog niet.’

De eerste vijf minuten, daar gebeurt het. ‘Dan moet je de chemie vinden met je publiek.’ Wat dat precies betekent, vindt ze moeilijk uit te leggen. ‘Dat ik het gevoel heb dat de lijnen openstaan tussen mij en het publiek. Niet dat ze letterlijk moeten gaan schreeuwen. Een zaal met honderdvijftig, tweehonderd mensen wordt één entiteit. Zoals je ook kan voelen dat iemand je niet mag zonder dat diegene onaardig doet – zoiets is het. Ik voel het als de zaal me ‘mag’. Dat voelt heel anders dan een zaal die erbij zit met een houding van: nou, dat moet ik nog maar eens zien.’

Als de zaal me ‘mag’, weet ik dat ze met me meegaan, dat we feitelijk samen op dat moment hetzelfde beleven. Als je dat voelt, dan ga je vliegen. Dan ga ik op en voor ik het weet is het anderhalf uur later. Na zo’n optreden kan ik nooit slapen, dan stuiter ik van energie. Moet ik nog zeker twee uur iets doen, omdat ik helemaal vol zit.’

Maar zo voelt het niet altijd. Soms wordt ze overvallen door Grote Twijfel. Over haar Nut. ‘Mijn ouders hebben tastbare beroepen. Ingenieur en jurist. Het is duidelijk wat zij doen, het draagt economisch iets bij en heeft daardoor bestaansrecht. Maar kunst? Ik vind het lastig. Het is wat ik wil doen, moet doen…. Als iemand zegt: ik heb de hele dag belangrijke dingen gedaan bij KPN, dan lijkt het soms of diegene er wel echt bijhoort en ik niet. Voor mijn gevoel hoor ik minder bij ‘de arbeidsmarkt’ en dat zorgt wel voor vragen.’

Hoe praat je dat voor jezelf goed dan?

‘Nog niet echt eigenlijk. Gelukkig zien mijn ouders steeds meer de kwaliteit in van wat ik doe. Dat ik energie genereer, mensen kan inspireren. Letterlijk: dat ik iets bijdraag. Want dat is belangrijk. Ze hebben het wel goedgekeurd. Het mag. Het klinkt misschien raar, maar ik zou het heel erg vinden als dat niet zo was. Ik heb wel vrienden waarvan de ouders verzuchten: jij met je kunstdingen, wanneer is die bevlieging nou eens over.’

Toen Borgers net begon, speelde ze overal gratis. In alle uithoeken van het land. Dan belde ze zelf het theater en zei: hallo ik ben Carolien en ik wil graag komen spelen. Zeiden zij: meisje, er zijn zestien impresariaten met allemaal een eigen stal met grote namen en daar hebben we contracten mee. Wie ben jij?

‘Zo werkte het dus niet. Iedere beginnende podiumkunstenaar moet een impresariaat hebben. Zonder lukt het niet. Een vriendin van mij heeft het zelf geprobeerd, die was gebroken na een jaar. Het is storend, maar ook wel veilig dat het zo werkt. Het kwaliteitsniveau blijft gegarandeerd. Je komt niet bij een impresariaat als je niks kan. En als je geen goed werk levert wil de theaterdirecteur je niet meer, want dan komt er geen publiek. In die zin is het principe toch vrij economisch. Gewoon vraag en aanbod. Ha, dus toch. Gelukkig maar.’

Ben je nooit bang dat de zalen bij jou leeg zullen blijven?

‘Ik denk dat, als ik hard genoeg werk, mij dat niet overkomt. Ik ben als podiummens nog niet af – ik leer mezelf steeds beter kennen. Als het goed is, blijft het groeien. Een goed programma maken kost tijd. Dat zie ik om mij heen. De meeste cabaretiers zijn zeker vier, vijf jaar bezig geweest om zich te ontwikkelen. Ik zou niet in een klap ‘groot’ willen zijn. Dat is niet goed, dan word je lam in je hoofd van alle dingen die op je af komen. Je kunt beter rustig de basis helder hebben, weten wat je doet op het podium qua vorm en stijl. Dan kan je ook niet vallen.’

Je maakt grappen over al je verslonden vriendjes, over ijdelheid, over seks. Hoe autobiografisch zijn je teksten?

‘Niet. Ik haal natuurlijk wel inspiratie uit mijn eigen omgeving, maar ruk alles uit z’n context. Ik schrijf denk ik ook over mijn generatie, over wat ons bezighoudt. We zijn de boeiuh, chilluh- generatie. Allemaal kinderen van ouders die hard gewerkt hebben, die weer producten zijn van ouders die de oorlog meegemaakt hebben. Ze hebben geld verdiend door dat harde werken en wij zetten ons daar tegen af. Bij ons gaat het niet om geld, maar om ontwikkeling en gelukkig worden. Daar is iedereen in mijn omgeving wel zo ongeveer mee bezig. Ik probeer die onderwerpen te onderzoeken.’

Zoek je maatschappelijke relevantie?

‘Nee, absoluut niet. Je moet op het podium iets doen dat bij jóu past. Bij Hans Teeuwen is dat op zijn krankzinnige, geniale manier mensen aan het lachen maken en Jan Jaap van der Wal kan weer heel grappig en goed analyseren. Dat moet hij doen.’

En jij?

‘Pfff. Ik ben er nog niet. Ik wil mensen graag wijzen op hun vaststaande ideeën, confronteren met hun vooroordelen. Ik wil graag verwarren. Of ik dat goed doe, moet nog blijken.’

Kun je er al van leven?

‘Voor cabaret is geen subsidie aan te vragen. Je moet alles zelf doen, technicus betalen, decorontwerper, regisseur, impresariaat. Je verdient de uitkoopsom van het theater en als je boven een bepaald aantal mensen zit, krijg je nog wat extra.

‘Ik moet dingen ernaast doen om genoeg geld te verdienen. Ik spreek soms reclames in, doe presentaties voor bedrijven, dat soort dingen. Dat vind ik niet vervelend hoor. Ik leer ervan. Soms gebruik ik ook dingen voor mijn programma. Laatst moest ik bijvoorbeeld praten over vrouwen in een mannenwereld, voor een zaal met negentig vrouwen en zes mannen. Dat stukje gaat terugkeren in mijn nieuwe show.’


Meer artikelen


1062 vacatures

zoeken

Joblink

meer joblinks



Loopbaan van...

Alle interviews uit VKbanen 188

Aaf Brandt Corstius

Adrian van Hooydonk

Agnes Jongerius

Alain de Botton

Alexander Pechtold

Alexander Rinnooy Kan

Ambtenaren- familie Berben

André Kuipers

Ann Metler

Anna Joke Breimer

Anna Visser

Annemarie Jorritsma

Antoine Bodar

Arjan Ederveen

Armin van Buuren

Atilay Uslu

Barbara de Loor

Barbara Stok

Ben Verwaayen

Benno Leeser

Bob Geldof

Candy Dulfer

Carolien Borgers

Caroline Harder

Caroline van de Wiel

Christijan Albers

Claudia de Breij

Coen de Ruiter

Daniel Ropers

Danielle Zwartjens

Daphne Koster

David Hein

De familie Gaus

De Van Bommels

Deepak Chopra

Dennis Karpes

Dennis van der Geest

Dymph van den Boom

Edmond Hilhorst

Edward van de Vendel

Ellen ten Damme

Elsbeth Janmaat

Else Bos

Epke Zonderland

Eric van Eerdenburg

Erik Kessels

Esther Raats

Esther van Fenema

Eugenie van Wiechen

Floortje Dessing

Fokke de Jong

Fons van Westerloo

François Geurds

Franca Treur

Francine Houben

Frans Lanting

Geert Dales

Gerard Timmer

Gert Verhulst

Gérard Vroomen

Hafid Azarfane

Haig Balian

Halleh Ghorashi

Hans de Boer

Hans Jorritsma

Hans Kamps

Hans van Dijk

Harry Koorstra

Henriëtte Prast

Herman den Blijker

Hugo Borst

Iens Boswijk

Ilse DeLange

Ina Sjerps

Iris van Bennekom

Ivo Daalder

Jacek Rajewski

Jacqueline Bierhorst

Jacqueline Le Grand

Jan Hendrik Ockels

Jan Jansen

Jan Joost van Gangelen

Jan Six

Jan-Joost Rueb

Janine Jansen

Jean-Marc van Tol

Jelle Brandt Corstius

Jeroen van de Mast

Job Gosschalk

Joep Wijnands

Joost Romeijn

Joris Laarman

Joris Luyendijk

Jörgen Raymann

Kalo Bagijn

Karin van Gilst

Karina Schaapman

Kees van Twist

Liesbeth van Tongeren

Lisa Hordijk

Lisa Westerhof

Lucia Rijker

Maarten Baas

Madeleine Albright

Malcolm Gladwell

Marc Cornelissen

Marc Schröder

Marcel Musters

Margriet van der Linden

Marike van Lier Lels

Marjon de Hond

Marlies Dekkers

Martijn Kamermans

Martin Sitalsing

Merlijn Twaalfhoven

Michael van Poppel

Michel de Coster

Michiel van Erp

Mimoun Oaïssa

Mirjam van ’t Veld

Mohammed El Harouchi

Naema Tahir

Nancy McKinstry

Nancy McKinstry

Neelie Kroes

Nick Leeson

Nicole van Vessum

Nicolette Mak

Nicolette Mak

Niklas Zennström

Olaf Olafsson

Onno van de Stolpe

Pauline van der Meer Mohr

Peter Hartman

Peter Slager

Peter van Uhm

Pierre Rieu

Pierre Wind

Pieter de Kort

Pieter Kuijpers

Pieter Vink

Pieter Winsemius

Rajesh Patel

Ramsey Nasr

Renske Taminiau

Richard en Selma Eikelenboom

Richard Krajicek

Richard Reed

Rick Nieman

Rick van der Ploeg

Robert Polet

Robert Schoemacher

Robert ten Brink

Robert Vuijsje

Roek Lips

Roland Kahn

Ronald Plasterk

Ronald van Zetten

Rutu Dave

Ruud Koornstra

Saskia Maas

Saskia Rijtema

Sharon Dijksma

Simon Reinink

Sjoerd Vollebregt

Stacey Rookhuizen

Stedman Graham

Stephanie Borsboom

Stephen Covey

Teun Gautier

Tex Gunning

Thomas Grote

Tim Gunn

Tini Colijn

Tjeerd Bomhof

Tofik Dibi

Tom Barman

Tonko Gast

Usta, Elburg en Abdellaoui

Vaira Vike-Freiberga

Vera Pauw

Wendy Hall

Willemijn Verloop

Wim Helsen

Wim Kok

Wiro Niessen

Wouke van Scherrenburg

Yvo de Boer

Zuiderwijk, Brinkman en Wladimiroff


Terug naar boven, naar de homepage