
Vader Berben was chef in een kleiwarenfabriek. Maar zijn vier kinderen werden ambtenaar. Toeval? Genetisch bepaald? Of gewoon een typisch product van de jaren zeventig? ‘Wij zijn erg van de inhoud.’ ‘En niet zo van de macht.’
Drie zussen en één broer. Geboren en getogen in Swalmen, Limburg. Alle vier afgestudeerd in sociale wetenschappen in Nijmegen en alle vier ambtenaar.
Ze werken tomeloos hard, en staan toch midden in de maatschappij. Het kwartet spreekt liever van ‘de publieke zaak’ waar ze voor werken.
Theo: ‘Ik werk sowieso tien uur per dag, afgezien van avondsessies. Ik probeer wekelijks niet meer dan vijftig uur te werken, anders gaat het ten koste van mijn privéleven. Ik heb altijd veel hard gelopen, tien kilometer in 33 minuten. En ik tennis graag. Sinds kort zit ik ook in de wijn, met een studievriend. En ik ben een nieuwsjunk.’
Lia: ‘Je hebt andere activiteiten nodig. Voor mij gaat het dan meer om cultuur. Theater, film.’
Hanneke: ‘Ik ben bang dat ik nog wel meer werk. En ik heb ook meer reistijd, maar die benut ik ook wel door stukken te lezen. Hoewel ik in Amsterdam werk, ben ik sinds de studie in Nijmegen blijven wonen. Daar ben ik ook betrokken bij de schouwburg en het concertgebouw.’
De jongste, Ingrid: ‘Ik werk vier dagen, maar mijn werktijden zijn behoorlijk variabel. Ik ben een tijd erg ziek geweest. Dat gaat nu beter, maar sindsdien probeer ik wel op mijn uren te letten.'
Maken jullie onderling ambtenarengrappen?
Lia, meteen: ‘Nee.’
Algemene hilariteit.
Lia: ‘Ik zei toch al: wij zien de ambtenarij niet zo stereotypisch. Maar dat stigma bestaat blijkbaar nog steeds.’
Theo: ‘Ambtenaren op ministeries of bij een gemeente die in het uitvoerende werk zitten, die hebben onderling wel allemaal grappen en grollen. Maar wij zijn geen radertjes in de machine. We willen het verschil maken.’
Is dat genetisch bepaald, die liefde voor de publieke sector? Waren jullie ouders ook ambtenaar?
Hanneke: ‘Nee. Onze vader was chef in een kleiwarenfabriek, waar ze dakpannen, potten en stenen maakten.’
Ingrid: ‘Dertig, veertig jaar geleden werkte de helft van de bevolking in de kleiwaren. Althans, in midden-Limburg.’
Hanneke: ‘Onze moeder was huisvrouw. Maar ze had wel een sterke maatschappelijke betrokkenheid. Dat hebben we heel erg meegekregen in ons gezin.’
Geef eens een voorbeeld?
Theo: ‘Ik las al vroeg de krant. Vanaf mijn achtste las ik de Maas en Roerbode, later de Limburger. Met mijn vader keek ik altijd naar actualiteitenrubrieken: Achter het nieuws, Brandpunt – het was de grote tijd van die rubrieken.’
Hanneke: ‘En we discussieerden graag. En dat in het Limburgs. Maar uiteindelijk waren we het altijd wel met elkaar eens.’
Theo: ‘Onze ouders wilden graag dat wij zouden doen wat zij nooit konden: leren, studeren, talenten ontplooien. Wij waren de eerste generatie voor wie verticale mobiliteit binnen het bereik lag, we kregen het beter dan onze ouders.’
Wat voor opleiding hadden jullie ouders?
Hanneke: ‘Alleen lagere school.’
En jullie?
Hanneke: ‘Gymnasium. We hebben alle vier op dezelfde middelbare school gezeten.’
Lia: We fietsten elke dag zo’n tien kilometer van Swalmen naar Roermond, daar had je de gegoede scholen. Wij waren de enige kinderen van wie de ouders geen notaris of arts waren. Voor Hanneke en mij was dat voelbaar, het heeft ons ook gevormd.’
Theo: ‘Dat gold voor meer dingen. Toen ik acht, negen was zag ik veel tennis op tv en vond het geweldig. Een paar jaar later wilde ik per se lid worden van de tennisvereniging. Ik was de eerste van andere komaf die lid werd. Acceptatie hing af van je prestaties. Ik werd het twintigste jeugdlid en ging bij die hele ladder aanbellen of we een potje konden spelen. Wij hadden geen telefoon thuis. Ik sloeg ze één voor één van de baan en was in mijn eerste jaar kampioen van Swalmen.’
En toen studeren?
Lia: ‘Ja, ik ging als eerste in de grote stad, Nijmegen, wonen. Dat was een hele sprong. In 1974, ik was toen 22, ben ik politicologie gaan studeren. Dat kon door de studiefinanciering. Als die er niet geweest was, was studeren niet im Frage geweest.’
Hanneke: ‘Wij hebben allemaal sociale wetenschappen gestudeerd.’
Deden jullie in Nijmegen meer dan studeren?
Theo: ‘Het was de tijd van het kabinet Den Uyl, van politieke polarisatie. In Nijmegen heette de universiteit een tijdje Karl Marx Universiteit. Ik ben actief geweest in de Derdewereldbeweging. Zuid-Afrika moest bevrijd. Het waren grote thema’s, waarmee we bezig waren.’
Hanneke: ‘Ik was ook actief in het buurthuiswerk en, met Lia, in de vrouwenbeweging.’
Theo: ‘Begin jaren tachtig zat de maatschappij niet op verse politicologen te wachten. We werden de lost generation genoemd.Ik wilde betrokken zijn bij de maatschappij. Zo ben ik bij de SER terechtgekomen. Mijn eerste project ging over belastingen. Ik wist daar niks van, maar bleek in staat me snel in te lezen en een commissie van hotemetoten te adviseren. Dat was erg leuk om te ervaren.'
Lonkte het bedrijfsleven nooit door bijvoorbeeld betere beloning?
Lia:‘Daar zijn we niet mee bezig.’
Hanneke: ‘Bij ons speelt geld echt geen rol bij de baankeuze.’
Theo: ‘Maar je bent ook niet gekke Gerrit. De drijfveer is niet het salaris, maar als wij solliciteren hebben we ook gewoon een arbeidsvoorwaardengesprek. Als ze over de kleine dingen beginnen te zeuren, vind ik dat vervelend.’
Hanneke: ‘Ik verdien trouwens goed, maar ik vergelijk dat niet met anderen, ik zit mezelf niet te meten.’
Theo: ‘En zaken als verlof zijn heel goed geregeld bij de overheid. Veel vrouwen tussen de dertig en de veertig maken de overstap van het bedrijfsleven naar de gemeente. Hun salaris gaat misschien achteruit, maar ze kunnen werk en kinderen wel beter combineren.’
Ingrid: ‘In de tijd dat ik bij huiszoekingen was, kreeg ik een mobiele telefoon mee die steeds uitviel. Als je dienst wisselde, gaf je de telefoon zelfs door. Je ging met eigen vervoer, en als dan een ongeluk gebeurde, was het nog maar de vraag hoe de vergoeding zou zijn. Van die dingen.’
Lijken jullie alleen in voorliefde voor de publieke zaak op elkaar?
Lia: ‘We zijn erg van de inhoud...’
Theo vult aan: ‘...en niet zo van de macht.’
Hanneke: ‘We houden anderen graag een spiegel voor als het te veel om macht gaat.’
Lia: ‘En we zijn sterk gericht op samenwerken en binden.’
Ingrid: ‘We verschillen ook heel erg. Ik lijk bijvoorbeeld heel stil en lief, maar als rechter stond ik bekend als streng. Privé en werk kunnen ook verschillen.’
Hanneke: ‘We hebben van huis uit meegekregen mensen niet in hokjes te plaatsen en anderen met respect te benaderen. Dat betekent niet dat we nooit de confrontatie opzoeken.’
Lia: ‘Maar we zijn wel oplossingsgericht.
Theo: ‘Onderling mogen we overigens graag bekvechten.’
Lia: ‘Theo is meer een zender dan een luisteraar.’
De zussen gieren het uit.
Zijn jullie partners ook ambtenaar?
Lia: ‘Mijn man werkt in de ontwikkelingssamenwerking bij Oxfam Novib.’
Theo: ‘Mijn partner is ook directeur bij een gemeente, maar wij praten nooit over de inhoud. Zij is meer gericht op management. Zo van: hoe pak jij zoiets aan? Zij zou ook elders kunnen managen.’
Ingrid: ‘Mijn man werkt bij het Centraal Planbureau als econoom.’
Hanneke: ‘De mijne is lector logistiek aan hogeschool Nijmegen.’
En jullie kinderen, ook al geïnteresseerd in de publieke zaak?
Ingrid: ‘Alleen ik heb een kind, een zoon van zes. Die is vooral bezig met treinen en bussen, alles wat beweegt, zeg maar. En met muziek en hardlopen.’
Dat jullie geen kinderen hebben, heeft dat met jullie werk te maken?
Theo: ‘Eigenlijk is Ingrids zoon een beetje van ons allemaal.
‘Wij hadden wel kinderen kunnen hebben maar het is er niet van gekomen.’
Hanneke: ‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik per se kinderen wilde hebben. Ze hadden er kunnen zijn, maar het is er niet van gekomen.’
Wie zijn de Berbens ?
Lia (54), is directeur Dienst Publiekszaken bij de gemeente Oss.
Hanneke (53) is lid van de Raad van Bestuur van het CWI.
Theo (49) is directeur Samenleving bij de gemeente Apeldoorn.
Ingrid (46) is advocaat-generaal bij het Openbaar Ministerie in Arnhem.