
De loftuitingen waren niet van de lucht toen Franca Treur afgelopen oktober haar debuutroman ‘Dorsvloer vol confetti’ presenteerde. De 30-jarige neerlandica beschrijft daarin het opgroeien op het streng gereformeerde platteland van Zeeland. En ineens was Franca Treur gevierd schrijfster.
Met haar toekomst is ze niet zo bezig, schrijfster-in-wording Franca Treur (30). ‘Ik ben niet zo’n planner. En nee, ik ben ook niet echt aan het nadenken over een gezinnetje.’ Iets waar veel van haar leeftijdgenoten wel druk mee zijn. Het hier en nu is voor de Neerlandica met Zeeuwse wortels dan ook spannend genoeg.
Haar eerste boek Dorsvloer vol confetti (Prometheus) kwam oktober vorig jaar uit en is een doorslaand succes. Jaap Goedegebuure oordeelde in het Financieele Dagblad: ‘wat mij betreft het debuut van het jaar’. ‘Een betoverende roman’, was de omschrijving waarvoor de Volkskrant koos. ‘De slagroom op de taart,’ aldus het Parool bij de bespreking van meerdere debuten, en De Groene Amsterdammer stelt: ‘Een geslaagde coming of age roman’.
Hoger kun je als debutant niet komen. De achtste druk is inmiddels in voorbereiding. ‘Al zijn er ook kleine oplages van 1.500 exemplaren bij hoor’, relativeert Treur meteen bescheiden. Ondertussen staat haar telefoon niet stil, voor interviewaanvragen en fotosessies. En voor lezingen in het land. Ze telt ze even op haar computer. ‘Dat zijn er al achttien, tot maart.’
Treur is hot, met haar roman die het opgroeien in een ‘zwarte kousenmilieu’ in
de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw beschrijft. Meisjes dragen
geen broeken, maar drinken wel YoghoYogho. Op zaterdagavond is er geen
bioscoop, maar de jongerenclub van de kerk. Het is deze achtergrond – van
een boek dat niet auto- maar wel biografisch is – die ontkerkelijkt
Nederland fascineert. Het zijn scènes uit een gereformeerd boerenbestaan die
er ingaan als koek, in een tijd waarin een tv-programma als Boer zoekt vrouw
miljoenen kijkers trekt.
|
Wie is Franca Treur? Ze schrijft voor NRC Handelsblad en nrc.next. Treur won in 2006 met Maak iets van je leven! Maar wat? een essaywedstrijd die uitgeschreven werd door Contrast Magazine en nrc.next met het thema ‘macht en onmacht’. In 2009 verscheen haar eerste boek Dorsvloer vol confetti, een ‘fictieve psychologische’ roman over een 12-jarig meisje dat begin jaren negentig in Zeeland opgroeit in een bevindelijk gereformeerd boerengezin. Zie ook francatreur.nl |
Boerendochter
Dat irriteert Treur ergens wel, dat gezwijmel van de buitenstaander. Zelf
afkomstig uit het dorpje Meliskerke op Walcheren, spreekt ze nu even als
boerendochter. ‘Ik maak me druk over hoe Nederland omgaat met zijn boeren.
We moeten kiezen: of we gaan melk importeren uit andere landen zoals we met
sinaasappels doen, of we blijven een zuivelnatie en moeten dan goed nadenken
hoe we dat willen. En niet in de situatie komen dat alleen vier gigantische
melkveebedrijven het redden.’
Zo, dat is de nuchterheid die van een kind van het waai-platteland min of meer verwacht wordt. Haar drie broers zijn allemaal boer geworden, zelf moet ze er niet aan denken. ‘Ik kan er niet tegen, elke ochtend en elke avond op een vast tijdstip die koeien moeten melken, nooit een keertje kunnen overslaan.’ Maar later wil ze wel naar het platteland verhuizen. ‘Een boerderijtje achteraf met een paar schaapjes, dat zou ik wel wat vinden. Maar ik wil niet in een dorp wonen: het is of helemaal achteraf of in de anonimiteit van de stad.’
Amsterdam gevaarlijk
Op haar dertigste woont ze nu in een klein appartement, midden in Amsterdam.
‘Vroeger mocht ik hier niet gaan studeren, het was te groot en te
gevaarlijk. Om die reden viel Utrecht ook af.’ Ze studeerde in Leiden, eerst
psychologie, later Nederlands en literatuurwetenschappen. ‘Ik was de eerste
uit onze familie die naar de universiteit ging‘. Al is ze geen feestbeest en
een harde werker, op haar rode laarsjes in deze stadse omgeving, is het niet
moeilijk te bedenken dat ze een levensstijl heeft die ver afstaat van die
van haar bevindelijk gereformeerde (zie kader) familie.
‘Als ik weer in Zeeland ben, voel ik me een buitenstaander. Vooral op verjaardagen van opa of oma waar mijn neven en nichten in hun auto’s komen aanrijden, getrouwd en wel, met zwangere buiken. Ik ben ongetrouwd, heb geen eigen huis, geen auto, ben dus niet erg geslaagd in die kring.’ Of haar ouders toch een beetje trots zijn op hun schrijvende dochter? ‘Dat is niet het woord. Er is interesse, maar op veel aandacht zijn ze niet dol.’
In Dorsvloer vol confetti beschrijft Treur door de ogen van de 12-jarige Katelijne het milieu waarin ze opgroeide. Het is de wereld van het boerenbedrijf, dat het gezinsleven en de gesprekken domineert. Het is ook de wereld van de bevindelijk gereformeerden, waarin de mens een geboren zondaar is en niet verzekerd is van een plaatsje in de hemel. Het is hopen en wachten op het beleven van een intense religieuze ervaring, het zien en voelen van Gods hand, die kaf en koren scheidt. Alleen die genade behoedt voor een regelrechte gang naar de hel.
Hiernamaals
De strenggelovige wereld is ook een talige wereld, waarin bijbelboeken bij
naam worden gekend en psalmpassages uit het hoofd worden geciteerd, zomaar
bij de koffie. Een zeer spirituele wereld, waarin de mens niets is en God
alles, waar niet het hier en nu maar alleen het hiernamaals telt, maar ook
een bonkige cultuur, waarin een dochter ‘kreng’ wordt genoemd en kinderen
met hun ‘tengels’ van de koektrommel moeten afblijven.
Treurs personage beziet die wereld met de vanzelfsprekendheid die een 12-jarige eigen is. Haar wereld is voor haar gewoon dé wereld. De toon is laconiek, de beschrijvingen zijn feitelijk, en daardoor vaak komisch. Zo liggen haar onderbroeken in de bestekla, omdat het oude keukenkastje haar kledingkast is geworden. Als ze de kraan ‘zomaar voor niks‘ laat lopen, snerpt moeder: ‘Dat is een haveloos aanwensel van je.’ En als diezelfde moeder even later ‘gezellig’ naar Katelijne lacht, lezen we: ‘Die aarzelt, wetend dat dit soort glimlachjes nooit gratis zijn.’
Niet zwemmen bij mooi weer; twee keer per zondag tegen de wind in fietsen naar de kerk, heen en terug; de kermis als verboden zone: het gelovige anders-zijn is even vanzelfsprekend als de stijfheid van de ouderlingen en de joligheid van de veehandelaren.
Treur: ‘Ik wilde aanvankelijk helemaal niet over dat gereformeerde milieu
schrijven, ik vond het zo cliché, maar toch heeft het boek vanzelf zijn
eigen vorm gekregen. Je schrijft toch op wat je beweegt, wat als de beste
optie voelt.’ Als schrijfster past ze met haar boek in de bijna voorbij
gewaande orthodox-protestantse schrijverstraditie van Jan Wolkers, Maarten
’t Hart en Jan Siebelink, maar dan zonder de afkeer van het geloof. Het
christelijke dagblad Trouw schreef dat haar boek ‘niet de zuigkracht heeft
van een Siebelinkmoeras en de woede mist van ’t Hart’.
‘Ik wilde ook geen roman over afvalligheid schrijven’, benadrukt Treur. Maar
dat haar romanpersonage Katelijne vragen stelt of ze minimaal oproept, dat
ontkent ze niet. Het Reformatorisch Dagblad (RD), waarmee ze opgroeide als
kind, was wel positief over haar boek, maar kritisch op het geloofsaspect.
Spiegel
Het echte geloven wordt in haar boek gemist. Volgens de krant wordt de
reformatorische lezer een spiegel voorgehouden: ‘Zie je alleen de buitenkant
van het geloofsleven of heb je ook een vermoeden van het wezen? Weet je wat
het is om in God te geloven, om Jezus Christus lief te hebben? Of bestaat je
houvast, net als voor Katelijne, alleen uit verhalen en tradities om de
angst te bezweren?’
Ontkeerd
Treur, die niet in haar boek maar wel in haar eigen leven met het geloof
brak, geldt als ‘verloren’ nu ze ‘ontkeerd’ is. Ze is het niet eens met de
geloofskritiek van het Reformatorisch Dagblad, maar is toch positief over de
discussie die er naar aanleiding van haar boek is ontstaan. ‘Ik vind het
mooi dat door mijn boek in reformatorische kring wordt gediscussieerd, dat
kun je op internet volgen. Ik ben ook heel leuk door het RD geïnterviewd,
het voelt onmiskenbaar prettig als je met iemand praat die je afkomst door
en door kent.’
|
Bevindelijk gereformeerd God verdoemt de zondaar, maar Jezus, die voor de mens is gestorven, is de betalende Borg: daardoor kan de mens vergeven worden voor zijn zonden – al is God het die dat bepaalt. Pas met een doorleefd geloof, waarin men de zwaarte van zijn zonden heeft gevoeld, en na een mystiek-religieuze ervaring die Gods genade laat voelen, kan de mens gered zijn. Ook een ‘bevindelijke’ ervaring wordt aan de Bijbel getoetst. Voordat het Koninkrijk Gods op aarde komt, zal de Jongste Dag aanbreken of het Laatste Oordeel worden gesproken en wordt bepaald wie gered wordt en wie niet. Politiek zijn bevindelijk gereformeerden veelal georganiseerd in de SGP. Het dorp Meliskerke is onderdeel van de Nederlandse bijbelgordel, die van westelijk Overijssel tot in Zeeland loopt. |
Treur studeerde in de veilige omheining van de Leidse tak van de
reformatorische studentenvereniging CSFR, maar brak in 2001 met haar geloof.
Op de middag dat ze dat aan het bestuur van de vereniging meedeelde, zag ze
op tv twee vliegtuigen de Twin Towers doorboren. ‘Ik kreeg kippenvel en
alhoewel ik er geen straf van God in zag, dacht ik toch even: en als nu de
Jongste Dag (de Dag des Oordeels, red.) is aangebroken?’ Afscheid van het
geloof betekende eenzaamheid, verlies van gereformeerde vrienden (‘al bleven
de beste over’) en een moeizaam en pijnlijk contact met het thuisfront. Het
was ook een afscheid van een Groot Verhaal, waarin mensen hun plaats hebben
en het leven zin heeft.
Leuven
Na haar geloofsbreuk besloot ze een tijdje in Leuven te studeren. ‘Het was
moeilijk in een gereformeerd studentenhuis te blijven waarin je precies weet
wanneer er welke samenkomst is, waar jij niet meer naar toegaat. Dan zit je
alleen op je kamer. Dus ging ik weg. Maar ik ben in Leuven heel alleen
geweest. Mijn Belgische huisgenoten waren niet zo toeschietelijk en op
donderdagavond vertrokken ze alweer voor een lang weekend bij hun ouders.
Zat ik daar alleen op kot. Maar ik heb heel veel gelezen in die tijd. Je
wordt ook sterk van zo’n periode.’
Twee studies in zes jaar deed ze. Het jaar vertraging doordat ze eerst nog
voor psychologie had gekozen, financierde ze zelf. ‘Ik heb in mijn eerste
jaar zelfs wel eens van vijf gulden per week geleefd. En ik had vrij snel
allerlei bijbanen. Eerst schoonmaken, later ook bejaarden wassen in een
verpleeghuis en voor de klas staan.’
Lerares
Op haar 23ste gaf ze al Nederlands aan de Haagse Hogeschool; soms waren
studenten ouder dan zij. Ze gaf ook les aan buitenlandse studenten, in
Nederlands als tweede taal, NT2. Iets wat ze bleef doen toen ze was
afgestudeerd. ‘Voor die studenten was ik, zeker in hun eerste maanden in
Nederland, hun enige Nederlandse contact. Dan krijg je snel een band met ze.
Sommigen zie ik nog steeds. Het is bovendien best leuk je te verdiepen in de
plaats van het woordje ‘er’ in de zin, dat we overal rondstrooien. Maar na
een paar jaar had ik dat wel gezien, ik leerde zelf niet meer bij.’
Ze ging daarnaast ambtenaren leren rapporten te schrijven. En ontdekte per
toeval dat ze beter zelf een bedrijfje kon oprichten en zich rechtstreeks
uit kon laten betalen, dan via een instelling ertussen. ‘Ik ben ook
zakelijk, ja.’ Op haar 26ste bedacht ze dat ze weer zelf iets wilde leren.
‘Ik had behoefte aan wat levensbeschouwelijke verdieping.’ Ze zette in op,
en kreeg, een filosofiebeurs bij de Radbouduniversiteit Nijmegen. ‘Ik volgde
vakken over de geschiedenis van de filosofie, maar ook ethische,
antropologische en theologische vakken. Een katholieke universiteit ja. Je
krijgt er ook een beetje Thomas van Aquino.’
Essay-wedstrijd
Toen attendeerde iemand haar, het was inmiddels 2003, op een essay-wedstrijd
uitgeschreven door nrc.next en Contrast Magazine. Het thema was ‘Macht en
onmacht’. Ze schreef een betoog met als titel: ‘Maak iets van je leven! Maar
wat?, waarin ze vraagtekens plaatste bij de hedendaagse prestatiedrang.
Ze won. Ook uitgevers lazen haar essay. Ze kreeg aanbiedingen voor een boek,
en koos voor Mai Spijkers van uitgeverij Prometheus. Ondertussen werd ze
redacteur bij NRC. Al snel merkte ze dat schrijven aan een boek en werken
bij een krant niet goed samengingen. In 2009 ging ze weg bij de krant, al
bleef ze op de achtergrond beschikbaar als oproepkracht en als freelancer.
‘Het was heerlijk om niet langer de trein naar Rotterdam Alexander te hoeven
nemen. En het is fantastisch om hele dagen in mijn eentje te schrijven.’ In
haar essay schreef ze ‘ik voel een toenemende druk om iets briljants voor
elkaar te krijgen’.
Brille
Wel, dat zit erop. Nu rust op haar de last een nieuw boek te schrijven dat
nooit meer de brille en verrassing van een succesdebuut in zich kan bergen.
Ze lijkt er geen last van te hebben, ze blaakt eerder van vechtlust: ‘ze’
zullen nog wel eens zien. Erover vertellen, over dat nieuwe boek dat heel
anders en niet-religieus zal zijn, wil ze niet. ‘Bij mijn eerste boek deed
ik dat wel, maar het werd iets heel anders.’
Ambitie, het past niet bij het geloof waarin de mens zich moet
‘verootmoedigen’. Daar is ze van af. ’Zonder ambitie en grote doelen komt er
weinig moois tot stand’, stelt ze resoluut.
Al schuilt veel schoonheid zomaar in de natuur, dat wel. Als puber had ze een
RD-krantenwijkje. Lachend: ‘Vier kranten, en daar was ik dan een half uur
voor aan het fietsen.’ Ze stond er zaterdagochtend vroeg voor op. ‘Als de
zon dan net opkwam, dan was de omgeving zo verschrikkelijk mooi, daar kon ik
zo dankbaar om zijn. Dan zat ik gewoon heel hard te zingen op mijn fiets.’
Nu kan ze met haar vreugde en dankbaarheid voor al het geluk dat haar
overkomt geen kant op. ‘Dat is wel raar, dat er niemand is om te bedanken.’
Dat dankbaarheid geen erg modern woord is, en zomaar haar afkomst tekent, doet
haar even twijfelen. Net als het feit dat veel van de particuliere – boerse,
gelovige en Zeeuwse – uitdrukkingen in haar boek elders niet worden herkend
(zie kader). ‘Schoeve koeien? Dat woord ken je toch wel?’ Ze is oprecht
verbaasd. ‘En huus, ik dacht dat iedereen wel weet dat het kinderen
betekent. Niet?’ Franca Treur beschikt, kortom, alleen al over een verbazend
rijk idioom waaruit ze nog jaren kan putten.
|
Schoeve taal ‘de vliedberg ‘ (kunstmatige heuvel om bij overstroming naar te vluchten); ‘kooiwielen’ (kooi om wielen, tegen wegzakken tractor); ’n ouwe schriever’ (preek); een ‘zelftapper’ (schroef); ‘schoeve’ beesten; een ‘garretje’ van het gordijn; ‘brienezout’; ‘uren van toewijding en labeur’; ‘zo dwars als pokhout’ (harde houtsoort met geneeskrachtig hars); ‘kuilpit’ (een berg gras), er hoeft geen ‘nagelschrapje’ bij; het moet van ‘Hod’ komen (God); ‘je genadetijd is voorbij’; een ‘nat tresje’ hangt uit de neus; buiten het ‘stormgebruis’, schiet op want ‘de dag is geen kakstoel’; achter de ‘grup’ (sloot of greppel); een ‘Jongbloedbijbeltje’ als je tien wordt; ‘pakjesavond’ op 6 december, in plaats van het onbijbelse Sinterklaasfeest; hij had er al ‘enorm moed op’, ‘dan lopen ze algauw van hun neus te maken’; ‘geboren op het erf van het Verbond’; een ‘hoogdag’ (bijzondere dag) ; en brutaal zijn tegen moeder klinkt zo: ‘Gelukkig ben ik Gode meer gehoorzaam dan de mensen’ – waarna een klap volgt. |