
In New York lukte het niet met zijn start-up, maar nu kan Jan-Joost Rueb (36) zich met zijn explosief groeiende Nederlandse bedrijf eBuddy alsnog meten met grote Amerikaanse namen als Facebook en Google. ‘Vet cool pap, eBuddy, ja tuurlijk kent iedereen dat.’
Het begon als weddenschap tussen een paar vrienden: werkt msn ook op een mobiele telefoon? Het antwoord was: ja. Nu, een paar jaar na die weddenschap, gaan iedere maand 12 miljoen gebruikers naar de Nederlandse website ebuddy.com . Een investeringsmaatschappij steekt 6,5 miljoen euro in het bedrijf, waardoor extra personeel kan worden aangetrokken en het hoofdkantoor aan de Amsterdamse Keizersgracht kan worden uitgebreid. Ook op komst: een vestiging in San Francisco, het kloppend hart van de internetindustrie.
Toch is eBuddy geen bekende naam. ‘Bij onze eerste investeerders zat iemand die ons niet kende’, herinnert oprichter Jan-Joost Rueb (36) zich. ‘Ik zei: weet je wat, neem maar eens een koffiemok van ons mee naar huis en zet die morgenochtend op de ontbijttafel. Die kinderen de volgende dag: Vet cool pap, eBuddy, ja tuurlijk kent iedereen dat. Ken jij dat niet dan?’
|
Wie is Jan-Joost Rueb?
|
Jongeren kennen eBuddy wel, wil Rueb daarmee maar zeggen. Via ebuddy.com kun je chatten met populaire chatprogramma’s als msn zonder het programma op je computer te hebben staan. Handig als je geen programma’s mag downloaden, zoals op de meeste scholen. En dus is het ook niet zo vreemd dat eBuddy zo populair is.
Rueb staat soms nog versteld van de snelheid waarmee zijn bedrijf groeit. Toen hij samen met twee partners eBuddy begon was hij net terug uit New York, waar hij bij een aantal start-ups de nodige tegenslag ondervond. Hij maakte er het hoogte- en dieptepunt van de internethype mee. Zag eerst een beursgang afketsen en kreeg daarna zijn eigen start-up niet van de grond. Hij leerde daarvan wel hoe het níet moet, zegt hij achteraf.
Hoe zit dat met die New Yorkse taxichauffeur die jij een paar jaar geleden naar Groningen liet vliegen om naar een voetbalwedstrijd te kijken?
‘Haha! Ik zat in een taxi in New York, en zoals altijd probeerde ik een praatje te maken. Aan zijn achteruitkijkspiegel hing een voetbal en hij vertelde dat hij fan was van een voetbalclub die ik volgens hem vast en zeker niet kende: FC Groningen. Maar ik heb in Groningen gestudeerd. En hij kende alle spelers. Groningen heeft in 1983 van Inter Milaan gewonnen, dat vond hij zo’n geweldige wedstrijd, hij is altijd fan gebleven.’
Dus heb je hem op het vliegtuig naar Groningen gezet.
‘Ik ging terug naar Groningen voor een vrijgezellenfeest. FC Groningen speelde ook nog een thuiswedstrijd. Ik heb hem toen meegenomen naar Nederland. Dat zijn waarschijnlijk de meest bizarre dagen geweest uit zijn leven. Hij werd als een held ontvangen, hij was een soort lokale beroemdheid. Hij was bij Studio Sport te zien en op Schiphol werd-ie daarna herkend.’
Typeert dat jou een beetje, zo’n actie? Jongensachtig, studentikoos misschien?
‘Wel een beetje, ja. Dingetjes regelen die ik leuk vind, dat houdt mij wakker. In New York ben ik ook nooit verslaafd geweest aan luxe, maar juist aan de grappige dingen. ’
Hoe kwam je in New York terecht?
‘Ik had stage gelopen bij Heineken en IBM, topbedrijven waar ik altijd al wilde werken. Toen ik daar bezig was, kwam ik erachter dat ik liever iets avontuurlijkers doe. Je zit er te veel in een hokje.
‘Na mijn studie ben ik bij Enertel gaan werken, een telecombedrijf in Rotterdam. Daar was ik employé nummer zestig of zeventig of zo. Dan heb je veel meer vrijheid om iets op te zetten. Enertel werd binnen een jaar overgenomen door een Amerikaans bedrijf. Ik kon daarna mee naar Amerika, naar Atlanta. Daar bleek het met het moederbedrijf niet zo goed te gaan.’
Waarom ineens New York?
‘In New York was iemand bezig om een online beurs op te zetten waarop telecombedrijven in belminuten kunnen handelen, Arbinet. Van mijn spaargeld heb ik een ticket gekocht om hem te spreken. Hij gaf me een baan. Toen ben ik in m’n eentje vanuit Atlanta naar New York verhuisd. In een U-Haultruck. Enkele reis. Vijftienhonderd kilometer in mijn eentje in een rumoerige truck. Dan kom je aanrijden in New York en zie je het World Trade Center, dat was er toen nog. Dat gééft een kick. Shit, dáár ga ik wonen.
‘We zouden snel, in mei 2000, naar de beurs gaan. Het waren de hoogtijdagen van de internet- en telecomboom. We hebben voor Arbinet meer dan honderd miljoen dollar opgehaald bij investeerders. Toen ging de beurs hard naar beneden.
‘Je komt meedoen in het succes van New York. Goldman Sachs, HSBC, de mannen waarover ik las in tijdschriften zaten bij ons aan tafel en spiegelden ons iets moois voor. Ben je dan naïef als je dat gelooft? Achteraf wel misschien. Je bent jong, je zit daar, ziet het gebeuren en denkt: dit kan. Dit is the American Dream. We hadden gelukkig wat geld om te overleven en konden het bedrijf op kleinere schaal voortzetten.’
Is die beursgang nog gelukt?
‘Nee, later pas. Eind 2004 ging Arbinet naar de beurs. Dat heb ik in Nederland moeten volgen via de televisie. Ik had daar graag bij willen zijn, maar we hadden al een CEO aangenomen, een manager van AT&T (Amerikaanse telecomgigant, red.), met grijze haren. De oprichter was daarna al snel weg. Voor mij was het na vier jaar ook echt de tijd om te vertrekken.’
Dus ging je bij de volgende start-up aan de slag.
‘Ja, reed ik weer op mijn mountainbike door New York met mijn laptop achterop om bij banken langs te gaan om geld los te krijgen. Dat bleek in 2003 wel wat moeilijker dan in 1999. We kregen het niet snel voor elkaar, en dan is New York een erg dure stad om te wonen.
‘In New York is iedereen arm omdat het allemaal zo duur is. Niemand spaart. Ik had een appartement van, hoeveel zal het zijn, ik denk veertig vierkante meter. Daar betaalde ik 2.500 dollar per maand voor. Als ik daar was gebleven had ik daar waarschijnlijk nog steeds gewoond. Ik noemde het met vrienden altijd de playground for adults. In die stad gebeurt zoveel, zakelijk en sociaal. Dat mis ik wel.’
Eind 2003 deed Rueb nog een poging. Hij was van plan een nieuw bedrijf op te zetten en daarvoor haalde hij een Nederlandse vriend, Onno Bakker, over om zijn baan in Nederland op te zeggen en naar New York te komen. Ze wilden Amerikanen via hun site numberportability.com van telefoonmaatschappij laten wisselen zonder van telefoonnummer te veranderen. In Nederland kon dat al. Het lukte niet. Ze keerden terug naar Nederland. Bakker kende Paulo Taylor, die met hen had gewed dat hij msn op een mobieltje kon laten werken. Met zijn drieën begonnen ze aan wat later eBuddy zou worden. ‘Het is voor Paulo een grote gok geweest. Hij heeft zijn idee met ons gedeeld’, zegt Rueb achteraf. Hij heeft goed gegokt. eBuddy maakt winst, Rueb en Bakker komen over de vloer bij ‘de Googles en de Facebooks’ en met de 6,5 miljoen euro van de nieuwe investeerder kan het bedrijf sneller groeien.
Kwam je berooid terug naar Nederland?
‘Nou, met een koffer en een pakketje aandelen van Arbinet, dat in 2004 alsnog naar de beurs ging. Uiteindelijk heb ik er genoeg aan over gehouden om een paar jaar geen salaris te hoeven verdienen. Genoeg om eBuddy op te zetten.’
Was je daar al mee bezig toen je terugging naar Nederland?
‘Nee. Ik heb eerst met wat studievrienden een zolder gehuurd in Amsterdam. We wilden kijken of we iets zouden beginnen. Ik was toen met Onno nog bezig met numberportability.com. Paulo, een vriend van Onno, zei toen dat hij msn kon laten werken op zijn mobiele telefoon. Dat heeft hij online gezet. Dat bleek heel populair. Hoe vaak zie je dat bij een product dat nog niet eens af is? We wilden het anders doen dan de vorige start-ups: kleinschalig. Paulo ging programmeren. Onno is technischer dan ik, ik ging advertenties verkopen. In het begin zat Paulo in de avonduren te programmeren, hij durfde er zijn baan nog niet voor op te geven. Hij wil eigenlijk nog steeds ‘s avonds programmeren en coole dingen ontwerpen. Hij wil niets te maken hebben met management, stress, HR en financiën. Onno en ik doen de dagelijkse leiding. Officieel heeft Paulo een baas die aan Onno rapporteert. Hij zegt ook: ik heb het beste leven van jullie allemaal. Ik heb die stress niet. Ik programmeer, daar ben ik goed in.’
Mis je dat niet? ‘s Avonds met zijn drieën op een kamertje. Nu zitten jullie in een groot grachtenpand met veertig man personeel.
‘Dat waren wel gave tijden, maar deze kans krijg ik misschien nooit meer. We worden uitgenodigd op congressen in San Francisco, waar de echte internetgoeroes rondlopen. Dat wij daar als een van de weinige Europese bedrijven meespelen, dat is echt heel gaaf.’
Als de echte goeroes daar zitten, waarom is eBuddy dan geen Amerikaans bedrijf?
‘Daar hebben we over nagedacht. Het heeft voor- en nadelen. We gaan nu een vestiging openen in San Francisco en daar ga ik waarschijnlijk elke twee maanden een week zitten. Het geeft ook wel een cool Calimero-effect, een Europees bedrijf dat meedoet op wereldniveau.’
Jullie grootste concurrent, het Amerikaanse Meebo, heeft wel veel eerder en veel meer geld gekregen van financiers.
‘Ja. Het zijn heel slimme jongens, Stanford Grads, zoals we dat noemen. Ze hebben een Stanford-MBA gedaan, dan word je helemaal klaargestoomd om voor een start-up te werken. Ze kennen iedereen daar. Maar Onno en ik hebben vanaf dag één gedacht: wij gaan geld verdienen.
‘Amerikaanse bedrijven halen eerst veel geld op en nemen vijftig of honderd mensen aan. Daarna zijn ze volledig afhankelijk van de investeerders. Dat heb ik in New York meegemaakt bij Arbinet. We hebben dit bedrijf winstgevend gemaakt met ons eigen geld. Dan praat je veel relaxter met je investeerders. In Amerika zijn zij zes keer zo groot. Buiten de VS zijn wij twee keer zo groot.’
Zijn jullie een beetje thuis in dat Amerikaanse netwerk?
‘Voor een Nederlands bedrijf doen we goed mee, denk ik. Maar ja, ze kennen elkaar van school en lunchen met elkaar. Al die start-ups komen van Stanford. Facebook zit op een kilometer afstand van de universiteit. En van Google. Sequoia (een grote Amerikaanse internetinvesteerder, red.) zit achter Meebo. Zij hebben YouTube groot gemaakt. En Google. Daar hebben wij ook een paar keer mee gesproken. Weet je, we zijn de zevende snelst groeiende zoekterm van Google. Wereldwijd. Dan sta je tussen iPhone en YouTube in. Dan komen uit Amerika de felicitaties binnen. Als je wilt meespelen, moet je daar een kantoor hebben. Google, eBay, ze moeten langs kunnen komen. Daarom openen we een kantoor in San Francisco. De jongen die we daar gaan aannemen zal veel moeten gaan lunchen. Ik zou die baan graag hebben.’
Waarom ga je dan niet?
‘Ik heb op dit moment een grote verantwoordelijkheid hier.’
En in de toekomst?
‘Wellicht. Ik zou het graag willen. Over drie jaar of zo. Mijn vriendin Else is half Amerikaanse, die zou het hartstikke leuk vinden. Het lijkt me ook leuk om dat avontuur aan te gaan met Else en kinderen. Niet dat geijkte leven in Nederland. Ik ga straks elke twee maanden een week naar San Francisco.’
Dat lijkt me best zwaar. Jij en je vriendin hebben net een zoontje gekregen.
‘Ja, reizen is een stuk minder leuk geworden sinds ik een zoontje heb. Maar ja, het hoort erbij. Ik ben niet echt de werkende man die ‘s avonds laat thuiskomt. Op dinsdag en woensdag breng ik Hein naar de crèche. Dat voelt als een luxe. Half Nederland staat in de file en ik breng mijn zoontje lekker lopend naar de crèche om de hoek. Vijf minuten later ben ik op mijn werk. Als er iets is, kan ik ‘m zo even ophalen. Op woensdag haal ik Hein ook op. Dat is mijn pappadag: een korte werkdag van negen tot vijf.’
Dat noem je kort? Voor veel mensen is dat normaal.
‘De kans die we nu hebben, dat red je niet in 40 uur per week.’
Verwacht je dat ook van de mensen die voor je werken?
‘Dat is moeilijk. We zeggen het wel tegen de mensen die we aannemen. Je probeert natuurlijk een cultuur te krijgen waarin het cool is om net even een stapje verder te gaan. Iedereen is ook aandeelhouder, tot de secretaresse aan toe. Dat heb ik geleerd in New York.
‘Ik hoop dat iedereen zo hard werkt als ik. Maar je hebt hier geen prikklok. Je moet gewoon je werk doen. Omdat ik die vrijheid heb, kan ik ook van mijn zoontje genieten. Als hij naar bed is, ga ik vaak nog wat doen.’
En over vier jaar? Gaan jullie dan naar de beurs, of wil je van eBuddy vooral een groter succes maken?
‘Ik wil graag meespelen op wereldniveau. We zijn nu nummer vijfhonderd ter wereld of zo. Eén van de honderd grootste internetbedrijven worden, dat lijkt me fantastisch.’
Gaat dat lukken?
‘We gaan het zien. We hebben nu de middelen. Vorig jaar zijn we 50 procent gegroeid op het web, 100 procent op mobiel. De bottleneck was de financiering. We maken wel winst, maar een nieuw kantoor openen en extra mensen aannemen, dat konden we daar niet van betalen.’
Je staat in de Quote 500-junior, de lijst van jonge rijken. Doet je dat wat?
‘Nee. Het is wel grappig. Ik had Quote een paar keer afgehouden, ik had er geen zin in. Aan de andere kant, mensen kennen ons niet doordat ik de pers op afstand houd. Dus moet je er wel aan meedoen. Je moet het wel met een korreltje zout nemen, ik woon nog steeds in een huurhuis.’
Je hebt geen Maserati?
‘Nee. Op papier misschien. Ik beschouw het als een luxe dat ik ‘s ochtends naar kantoor kan lopen en een leuk bedrijf heb. Op papier zou dat geld waard kunnen zijn. Alles zit in het bedrijf. Als je niet in bladen wilt staan, moet je niet zeuren dat ze je niet kennen. Kijk, onze adverteerders kenden ons niet. Onze doelgroep is tussen 10 en 20 jaar oud. Dat zijn niet de decision makers van Nederland.
‘Je moet wel meewerken aan je eigen imago. Hoeveel adverteerders weten dat ze een miljoen mensen in Nederland en twaalf miljoen mensen wereldwijd kunnen bereiken met eBuddy? Ik sta die pitch vier keer per week te houden.
‘Op straat hoor je jongeren tegen elkaar zeggen ‘yo, zie je zo op msn’, maar ouderen kennen het bedrijf niet. Ik wil ook iedereen vertellen dat we een superleuk bedrijf zijn waar iedereen aandeelhouder is. Hoeveel mensen in Nederland weten dat het heel cool is om je eigen bedrijf te beginnen, en dat het niet erg is om een keertje te falen en dan iets anders te gaan doen?
‘Veel Nederlanders willen liever voor Unilever of Shell werken dan voor eBuddy. In Amerika gaat veel meer kwaliteit naar start-ups, daardoor is de innovatieve kracht van dat land zoveel groter. Hier kiezen mensen toch voor de zekerheid. Het is heel cool om voor Unilever te werken. Als je in Amerika van Stanford komt, en je gaat voor Unilever werken, dan vragen ze: wat? Als je zegt dat je gaat werken voor Blicker, of wat voor onbekende naam dan ook, dan is Blicker ineens het gespreksonderwerp aan tafel.’
Het is ook best zeldzaam, een Nederlands internationaal internetsucces.
‘Er zijn een paar, heel weinig. Hyves, maar hun sterkte is dat ze lokaal zijn gebleven.’
Zie je jezelf nog eens iets anders doen?
‘Ja. Maar ja, je weet niet wat er op je pad komt.’
Zijn jullie al gebeld door de grote Amerikaanse internetbedrijven?
‘De telefoon is weleens gegaan, er is ook weleens iemand langs geweest. Maar voor een overname is het een beetje vroeg. Met het geld dat we hebben gekregen en de tijd die ons wordt gegeven, kunnen we groeien. Onze horizon is van drie maanden naar drie jaar gegaan. We kunnen nu een stootje hebben. Als nu iets niet helemaal gaat zoals gepland, dan ga je gewoon door. Dan verander je je plannen een beetje. Je weet natuurlijk nooit. Ons doel is nu om de groei door te zetten. En dan zijn we echt groot.’
|
Koekjes ‘Mijn beste vrienden in Amerika waren mijn collega’s. We werkten door in het weekend en deelden hotelkamers om geld te besparen. We hadden allemaal hetzelfde doel, helemaal toen het minder goed ging. Ik heb 11 september meegemaakt. We zijn toen even gesloten geweest en er moesten mensen uit. Je herkent de echte vechters aan het aantal pijlen in hun rug.’ Numberportability.com 'Ons businessplan klopte niet helemaal, daar kwam ik snel achter. Op papier zag het er goed uit. Maar de verwachtingen en de realiteit liepen steeds verder uit elkaar. In Amerika werd het mogelijk om je telefoonnummer mee te nemen naar een andere carrier. In Nederland kon dat al. Ik zou geld krijgen als ik klanten naar carriers kon brengen, maar in de praktijk lukte dat niet.’ |