
Toen correspondentenzoon Joep Wijnands (44) als klein jongetje in Italië op een internationale school zat, wist hij: dit is mijn wereld. Zijn carrière bracht hem van de brandhaard op de Balkan naar Boedapest en Uruzgan. Sinds september werkt hij in Litouwen als ‘s lands jongste ambassadeur.
Joep Wijnands is dertig wanneer hij in 1995 als vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken naar het operatiecentrum van Defensie wordt gestuurd. Van daaruit worden alle Nederlandse militaire operaties gevolgd. De allerhoogste militairen van het land vergaderen op dat moment in de ‘Bunker’ over de moslimenclave Srebrenica in het door oorlog verscheurde voormalige Joegoslavië.
Dertigduizend moslims zitten er als ratten in de val, omringd door vijandige Serviërs. Ze worden bewaakt door een paar honderd Nederlandse Dutchbat-militairen met een onduidelijk mandaat. Maar Defensieminister Joris Voorhoeve en zijn team geloven niet dat de Serviërs de enclave in willen nemen.
Op 11 juli 1995 gebeurt het toch. De Serviërs, onder aanvoering van de nu nog altijd voortvluchtige generaal Ratko Mladic, vallen de stad binnen. Ze vermoorden achtduizend moslimmannen en -jongens en deporteren de vrouwen en kinderen. Het bloedbad in Srebrenica is de grootste genocide in het naoorlogse Europa.
In de weken voorafgaand aan die fatale dag vertegenwoordigt Joep Wijnands het ministerie van Buitenlandse Zaken en rapporteert hij als liaison van uur tot uur aan zijn minister over de voortgang. In de laatste dagen voor de val van de enclave komt de hele ministerraad zelfs bijeen in de Bunker. Wijnands blijft ook, om te rapporteren. ‘In de laatste weken waren er dagen waarop ik niets anders deed dan werken.’
|
Wie is Joep Wijnands?
Opleiding:
Carrière: |
Pas twee jaar daarvoor geslaagd voor het roemruchte ‘diplomatenklasje’, is Wijnands door de opeenvolgende Balkanoorlogen meteen middenin de laatste Europese brandhaard terechtgekomen.
Inmiddels is Wijnands 44, en sinds september vorig jaar de jongste ambassadeur van Nederland. Oer-Hollands en gekleed in een donker pak is hij even op bezoek vanuit het ijskoude Litouwen (‘min 20 graden, een doorsnee Litouwse winter’) voor de Ambassadeursconferentie, een jaarlijks terugkerende meeting in Den Haag van de ambassadeurs, waarbij ze ook ontmoetingen hebben met parlementsleden en Nederlandse bedrijfsleiders.
Het was in Italië, waar Wijnands tussen zijn 9de en 14de woonde, dat de kiemen voor zijn internationale belangstelling gezaaid werden. Wijnands vader was correspondent in Rome voor VNU-bladen zoals De Limburger en de Haagse Courant en hijzelf zat er op een internationale school.
‘Je bent je daardoor bewust van het feit dat je uit één land komt, maar dat er nog zoveel andere landen zijn. Niet dat ik toen al bedacht had dat ik de diplomatie in wilde, maar ik kan me herinneren dat ik zo’n internationale omgeving, met kinderen uit allerlei landen, heel fijn vond. Als ik een krant opensloeg, keek ik altijd eerst naar de buitenlandpagina. Toen ik tijdens mijn rechtenstudie in Leiden moest specialiseren, heb ik bewust gekozen voor internationaal recht.’
Wijnands liep stage bij een advocatenkantoor, bij de International Labour
Organization (ILO) in Genève, was actief in een studentenvereniging en
werkte als assistent bij het TMC Asserinstituut voor internationaal recht.
Nevenactiviteiten waar hij naar eigen zeggen meer van op heeft gestoken dan
van de studie zelf.
Even nog overwoog hij een carrière als leerkracht, toen hij – als lid van de
laatste lichting dienstplichtigen – docent rechten werd aan het Koninklijk
Instituut voor de Marine in Den Helder. ‘Ik vond het leuk om voor de klas te
staan. Maar BuZa was toch de ideale werkgever voor mij. Ik voel me
Nederlander, maar ik wist dat ik hier niet de rest van mijn leven wilde
wonen. Ik wilde meer van de wereld zien, en niet alleen op vakantie.’
Zijn tijd in de Bunker, later op de ambassade in Zagreb en als adjunct van de
afdeling Westelijke Balkan tijdens de Kosovo-oorlog, (toen het voornamelijk
door Albanezen bewoonde gebied zich afscheidde van Servië, red.) waren een
vuurdoop. Hij moest er telkens nauw met militairen samenwerken en die
ervaring kwam hem ook onlangs goed van pas, toen hij een half jaar lang een
provinciaal reconstructieteam (PRT) leidde vanuit Kamp Holland in de
Afghaanse provincie Uruzgan
Wat deed u precies in Afghanistan?
‘Ik was de eerste burger die hoofd werd van een PRT. Dat is een speciale
militaire eenheid die Uruzgan moet helpen heropbouwen. Ik ben gevraagd, en
hoewel ik meteen het idee had: dit is het soort van werk waarom ik bij
Buitenlandse Zaken ben gaan werken, heb ik eerst overlegd met het
thuisfront. Het was een moeilijke beslissing, want we hebben drie jonge
kinderen. We zaten op dat moment in Boedapest, waar ik als tweede man op de
ambassade werkte. Ik had de baan
ook kunnen weigeren, maar mijn vrouw heeft me daar gelukkig in gesteund.
‘Ik verliet het kamp geregeld. Mijn voorgangers konden dat nog niet zo vaak.
Dat toont ook aan dat de veiligheidssituatie in Uruzgan verbetert. Er zijn
nu veertig civiele organisaties, in 2006 waren het er nog maar een stuk of
vier.’
In
Nederland leeft het beeld van een verloren strijd. Om Kamp Holland heen zou
een klein gebied relatief veilig zijn, maar de Afghaanse heuvels blijven
onherbergzaam en de bevolking vijandig. De Taliban heersen. Op welke termijn
ziet u dat veranderen?
‘De Afghanen zien dat hun kinderen weer naar school kunnen, dat er een
politieapparaat wordt opgebouwd, dat ze een waterput voor de deur krijgen.
‘Het leger begint sterker te worden, maar het politieapparaat is nog heel zwak
en onderontwikkeld. Ik heb in Uruzgan meegewerkt aan de oprichting van een
politieschool zodat politieagenten een opleiding krijgen. Vervolgens gaan ze
terug naar hun streek en worden een tijdje door Nederlanders gevolgd om te
kijken hoe ze de lessen van zo’n school in de praktijk brengen.
‘Het beeld is natuurlijk gemengd. In de provincies Kandahar en Helmand is het
onveiliger dan in Uruzgan, dus is het logisch dat wij het gebied al iets
meer hebben kunnen ontwikkelen. Niemand kan ontkennen dat het lang zal
duren. Los van de militaire inzet – waarover nog een politiek besluit met
worden genomen – heeft de regering allang gezegd dat we veel langer door
moeten gaan met ontwikkelingswerk in Afghanistan.
‘Het komt ook de veiligheid ten goede. Want waar mensen werken en handelen,
daar willen ze hun nieuw verworven bezit beschermen. Ik heb in Afghanistan
aan den lijve kunnen ondervinden dat het niet alleen een mooie theorie is,
maar echt zo is.’
Wat deed u concreet qua reconstructie?
‘Aanvankelijk vroegen inwoners van het Afghaanse platteland om zonnepanelen,
generatoren of rivierbedbescherming en nam het reconstructieteam een
beslissing. Nu bespreken we alle voorstellen op een shura, een bijeenkomst
van lokale tribale leiders, zodat we zeker weten dat de hele gemeenschap
erachter staat. Anders loop je het risico dat je met een project misschien
zonder het te weten één bepaalde clan steunt, waardoor een andere zich
gepasseerd voelt. Dan zou je zomaar een nieuw conflict kunnen veroorzaken.’
‘We proberen de bevolkingscentra in Uruzgan met elkaar te verbinden, leggen
wegen aan en reizen rond met de gouverneur – die heeft onze helikopters
nodig om zich te verplaatsen. Op verzoek van de lokale leiders hebben we een
bazaar helpen opzetten. Zij wilden hun spullen kwijt. Vroeger konden ze die
verhandelen op een markt, maar nu durfden ze de vallei niet meer in.
‘En dus trekken eerst militairen die vallei in, vervolgens worden stenen
marktkraampjes gebouwd, en dan zie je dat zo’n gebied echt opleeft. De
handelaars gaan er in inkomen op vooruit. Ze voelen dat ze iets te winnen
hebben bij het wegblijven van de Taliban.
|
Ambassadeur 'In een Europese Unie die steeds groter wordt is het belangrijk om partners binnen die Unie te vinden die in Brussel onze plannen willen ruggensteunen. 'Daarnaast komt een ambassade ook op voor Nederlanders die in Litouwen op de een of andere manier in de problemen zijn geraakt, van een gestolen paspoort tot een plots overlijden.’ |
'Op die twijfelaars, die grote middengroep die ideologisch niks met de Taliban
op heeft, richten we ons. Zelfs in Uruzgan, in het conservatieve zuiden,
durf ik te zeggen dat 1, hooguit 2 procent overtuigd is van hun zienswijze.
De rest doet mee, in meer of mindere mate, uit angst of bij gebrek aan
alternatief.
‘Een hele grote groep Afghanen blijft simpelweg te bang om met ons samen te
werken, bang dat de Taliban hen daarop zullen afrekenen. Je moet ze dus
gaandeweg overtuigen. De eerlijkheid gebiedt me ook te zeggen dat niet
iedere shura een succes is. We hebben wel eens zo’n vergadering opgezet
waarbij de leiders wegbleven. Bleken ze de nacht daarvoor Taliban aan de
deur gehad te hebben die dreigden hun oren eraf te snijden als ze zouden
komen.’
De buitenlandse mogendheden werken nauw samen met de Afghaanse overheid.
Maar president Hamid Karzais voornaamste tegenstander trok zich in de tweede
ronde terug uit de recente verkiezingsrace. Bovendien zou er ook gesjoemeld
zijn met de stembiljetten en sijpelen verhalen over corruptie door. Hoe is
het om samen te werken met een regering die misschien niet de steun van de
meerderheid van de bevolking geniet?
‘Je moet kritisch zijn. Het is niet klakkeloos samenwerken met een regering
of, op mijn niveau, met een provinciegouverneur. Je gebruikt die
samenwerking om aan te geven hoe belangrijk het is corruptie te bestrijden,
of dat mensen terechtkomen op functies waarvoor ze geschikt zijn, en niet om
andere redenen.’
Maar kunt u afdwingen dat een gouverneur niet zijn broer benoemt?
‘Nee, dat kun je niet. Wij zitten niet op de stoel van de gouverneur. Wij zijn
er ter ondersteuning. Maar het is niet ‘u vraagt, wij draaien’. Wij checken
of lokale organisaties betrouwbaar zijn, en of ondersteunde projecten de
steun van de bevolking genieten.’
Na uw half jaar in Afghanistan bent u sinds september de jongste ambassadeur
van Nederland met standplaats Vilnius. Daarvoor werkte u ruim drie jaar op
de ambassade in Hongarije. Hoe gaat zoiets in zijn werk?
‘In principe blijf je vier jaar op dezelfde plek. Vroeger vertrokken
diplomaten voor veertig jaar naar het buitenland en vertegenwoordigden dan
een land dat ze eigenlijk niet goed meer kenden. Nu mag je maximaal acht
jaar een ‘buitenfunctie’ hebben. Daarna word je weer ‘naar binnen’ gehaald,
zoals wij dat noemen. Dan krijg je een functie op een ministerie.
‘Om de vier jaar verander je van omgeving, maar ook van onderwerp. Het ene
moment ben je bezig met handelsbevordering, de volgende vier jaar met
mensenrechten, met de EU of met de bilaterale betrekkingen tussen pakweg
Indonesië en Nederland.
‘Ieder jaar komt er een carrousel op gang waarbij alle functies die vrijkomen
op een lijst worden gezet. Als jij ‘in de overplaatsing’ zit, zoals we dat
noemen als je vier jaar erop zitten, mag je je voorkeuren aangeven. En dan
moet de personeelsdienst die enorme puzzel leggen. Ze proberen rekening te
houden met ieders wensen en kijken naar bepaalde specialismen die je
gaandeweg hebt opgebouwd. In mijn geval zijn dat veiligheid en Europese
samenwerking. Maar je kunt ook een functie aangewezen krijgen die niet op je
lijstje stond. En dat hoort er dan toch bij.’
Spreekt u Hongaars of Litouws?
‘Nee, dat zou ik niet durven zeggen. Hongaars is een van de moeilijkste talen
ter wereld. Ik heb goede voornemens wat het Litouws betreft, maar in beide
landen kun je overal ook met Engels terecht.’
Heeft u dan wel voeling met de lokale bevolking ?
‘Het laatste wat je moet doen is binnen het ambassadegebouw blijven zitten en
van daaruit het ministerie gaan vertellen hoe de situatie in dat land is, of
waar de mogelijkheden voor het Nederlandse bedrijfsleven liggen.
‘Vroeger – en dan praat ik over lang geleden – hielden diplomaten zich
inderdaad alleen maar bezig met hoge politiek, maar tegenwoordig is een van
de kerntaken van een diplomaat het onderzoeken van de mogelijkheden voor
Nederlandse bedrijven. In Litouwen bijvoorbeeld is de energiemarkt enorm in
beweging. Het land heeft verouderde apparatuur die nog dateert uit de tijd
van de Sovjet-Unie, en is sterk afhankelijk van Russisch gas. De Litouwers
zoeken naar alternatieven, inclusief duurzame energie.
|
Homohaat 'Discriminatie van of vijandigheid tegen homo’s is iets wat ons ter harte gaat (de homoseksuele Nederlandse ambassadeur Hans Glaubitz verliet in 2006 Estland, het buurland van Litouwen, omdat zijn levenspartner er het slachtoffer werd van racisme en homohaat, red.) 'Dus daar heb ik voortdurend contact over met het ministerie. Ik ga in Litouwen in debat met studenten en medewerkers van organisaties die willen weten hoe wij met homoseksualiteit omgaan.’ |
'Als ambassade op zo’n relatief onbekende markt speel je dan een makelaarsrol
voor de Nederlandse industrie. Ik heb vanochtend nog contact gehad met een
Nederlandse consultancyfirma. Ik had de directeur gesproken op de
Ambassadeursconferentie en hem kunnen koppelen aan twee Litouwse bedrijven.
Hij belde me om te zeggen dat de deal rond was.’
We leven in tijden van crisis, waarin ook de overheid moet besparen – 20
procent rijksbreed dit jaar. De publieke steun voor een duur netwerk van
ambassades brokkelt af, ook omdat contact tegenwoordig via internet zoveel
makkelijker verloopt. Zijn ambassadeurs een uitstervend ras?
‘Als ik merk dat mensen sceptisch zijn, vind ik dat we nog meer moeten
uitleggen wat de Nederlander aan een ambassade kan hebben. In mijn eigen
directe omgeving merk ik zelfs al dat er geen duidelijk beeld bestaat van
wat een ambassade doet.
‘Natuurlijk kan ik me voorstellen dat Nederlanders niet direct zicht hebben op
de concrete invloed van ons werk op besluiten in Brussel. Anders ligt het
met het economische luik. Wat dat betreft is het geruststellend om deze week
van iemand als Bernard Wientjes, de voorzitter van VNO-NCW, te horen hoezeer
het Nederlandse bedrijfsleven niet achter die kritiek staat. Zij ervaren aan
den lijve wat ambassades voor hun bedrijf kunnen doen.
Hetzelfde geldt voor het consulaire werk: ik denk dat een heleboel
Nederlanders niet goed weten wat ze aan een ambassade hebben, tot het moment
dat ze in het buitenland in de problemen komen. Dat gaat van het heel
dramatische, zoals de Nederlandse doden in Haïti, tot kleinschalige
problemen in een land als Litouwen.’
Waar zou u nog willen werken?
‘Ik zou nog wel eens aan multilateraal overleg willen doen. Dan werk je bij
een PV, een permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de NAVO, de EU
in Brussel of de VN in New York. Heel moeilijk, maar áls je daar dingen voor
elkaar krijgt, heb je een enorme impact op wereldschaal.’
Zoals op de internationale school, destijds.
‘Inderdaad: hele verschillende mensen die in harmonie samen moeten werken. Ik
denk dat je bij Buitenlandse Zaken ook een zeker idealisme in die richting
moet hebben. Ik geloof heilig in internationale samenwerking. Dat gaat van
bedrijven die joint ventures oprichten tot theatergroepen die een
buitenlandse tournee kunnen regelen. Ik ben daar liever mee bezig dan de
winst per verkocht pakje boter te doen toenemen.’