
Een van de nieuwste manieren om leerlingen anders te laten leren, is de IPC-methode voor basisscholen. Kinderen leren daarin dat elk onderwerp een internationaal aspect heeft, een element van techniek, een voorgeschiedenis, et cetera.
‘Tokio heette vroeger Edo, toen het nog een vissersdorpje was’, vertelt Wessel (12) enthousiast. Hij zit samen met klasgenoot Jasper achter de pc in een hoek van de bibliotheek op basisschool De Esdoorn in Elst, in de Betuwe. Ze maken een werkstuk over hoe een stad is ontstaan. Yalda en Lianne (beiden 12) doen hetzelfde over Sydney. ‘We moeten alles zelf op internet opzoeken. Dat is veel leuker dan in de klas zitten met een boek en een schrift, want zo kun je veel meer informatie vinden’, zegt Yalda. Hun werkstuk is bijna af.
‘Zij is nu bezig met de volgende opdracht’, zegt ze giechelend terwijl ze naar
haar buurvrouw wijst. Die zegt met een rood hoofd dat ze een spreekbeurt
over seksuele voorlichting moet houden. Ook die blijkt al helemaal
voorbereid; ze vindt het ‘best wel leerzaam’.
Is het omdat de directeur van de school, Jan Willem Helmink erbij staat, of
zijn de kinderen écht zo enthousiast over dit onderwijs?
Thema
Op De Esdoorn hebben de kinderen vanmiddag allemaal les volgens het ‘IPC’,
het International Primary Curriculum, een leerlijn die de school sinds ruim
twee jaar toepast. ‘In het IPC worden de zaakvakken geïntegreerd en staat
effectief leren centraal’, is de wat abstracte uitleg van Helmink. Dit
betekent in de praktijk dat kinderen ’s ochtends les krijgen in taal en
rekenen zoals op reguliere basisscholen, en ’s middags in zaakvakken als
aardrijkskunde, geschiedenis, natuur, ict, muziek, techniek en
handvaardigheid.
In IPC komen die vakken in het middagprogramma allemaal samen in één thema, dat telkens vijf fases doorloopt: start, kennisoogst, uitleg thema, activiteiten en afsluiting. Helmink: ‘Alle groepen werken met IPC en dat gaat per blok met twee groepen, dus groep 1 en 2 doen samen een thema, 3 en 4 ook, et cetera. Belangrijk zijn de internationale doelen. We kijken in dit onderwijs ook over de grenzen.’
Speelgoed
In groep 3 van juf Ina Linssen is meteen te zien hoe dit werkt. Aan de muur
hangen pictogrammen met de vijf fases. Bij start staat ‘speelgoed’, het
thema. ‘We beginnen altijd met een eerste kennismaking met het thema. De
kinderen mochten de eerste dag allemaal speelgoed meenemen. Daarna komt de
kennisoogst, dus: wat weten de kinderen al over speelgoed? Dan volgen een
uitleg van het thema en de doelen. In die doelen komen alle zaakvakken
terug.’
Bij dit thema is het leerdoel voor geschiedenis: speelgoed in volgorde van tijd zetten, en voor techniek: zelf speelgoed maken. Ina Linssen laat daarvan het resultaat zien: een stuk of twintig door de leerlingen geknutselde tollen. Het internationale doel is speelgoed uit verschillende landen. ‘We hebben een Tsjechisch meisje in de klas, dat heeft verteld dat ze daar niet ‘vier op een rij’, maar ‘vijf op een rij’ spelen.’ Een thema wordt altijd afgesloten met een activiteit, in dit geval een tentoonstelling.
|
Astrid Schrama (41) deed twee jaar geleden tijdens haar studie Pedagogische
Wetenschappen aan de Universiteit Leiden onderzoek naar IPC op een
basisschool in Den Haag. |
Betrokkenheid
‘IPC richt zich op de betrokkenheid van leerlingen, waarbij steeds wordt
gevraagd: ‘Wat gaan we leren?’, vertelt Pieter de Kool. Hij werkt drie dagen
per week op de Europaschool in Amsterdam en is IPC-trainer. ‘Niet zozeer het
doen staat centraal, maar het leren’, zegt hij. ‘De kinderen gaan aan de
hand van een thema zelf op onderzoek uit.’
De Kool is ervan overtuigd dat kinderen door IPC beter leren. ‘De leerdoelen zijn heel duidelijk, die hangen in de hele school. De kinderen leren beter om zelf initiatieven te nemen en verbanden te leggen. Het reguliere onderwijs is heel kennisgericht. Bij IPC draait het om kennis én vaardigheden. We hebben hier niet op maandag aardrijkskunde, op dinsdag techniek en op woensdag geschiedenis. Door al die vakken in één thema samen te voegen, gaat het veel meer leven’. De Kool pakt er een lesboek van vóór IPC bij. Hij slaat het hoofdstuk ‘naar de maan’ open. ‘Bij zo’n traditionele les wordt het verhaal klassikaal voorgelezen en zitten de kinderen te luisteren. Wij gaan met de leerlingen een missie naar Mars uitvoeren.’ In dit project voor groep 7/8 maakten de kinderen een ruimtestation na en leerden ze tijdens de lichamelijke opvoeding hoe bewegen in de ruimte voelt.
Groei
Inmiddels gebruiken ruim dertig scholen in Nederland en achthonderd scholen
wereldwijd IPC en dat aantal groeit gestaag, vertelt Hans Luijten van IPC
Nederland. Hij was tien jaar geleden betrokken bij de invoering van IPC op
de internationale school in Oman en werkte er daarna mee op een basisschool
in Den Haag. Volgens hem is de ‘I’ van IPC een van de belangrijkste aspecten
van het curriculum, omdat het in een steeds van samenstelling veranderende
maatschappij belangrijk is dat kinderen zich bewust zijn van de
verschillende culturen.
‘Kinderen kijken vanuit hun eigen identiteit naar buiten, ze leren te vergelijken hoe het in hun eigen land is en hoe dingen in het buitenland werken.’ Volgens hem werkt IPC voor alle typen leerlingen, ook de verlegen of minder initiatiefrijke kinderen. ‘Daar ligt een belangrijke taak voor de docent. Je moet kinderen dingen leren als doorzetten, durven en sociale vaardigheden ontwikkelen. Zaken die later allemaal belangrijk zijn in het leven.’
Mind map
Jan Willem Helmink van De Esdoorn ziet op zijn school dat het middagprogramma
voor sommige kinderen moeilijker is dan het traditionele taal en rekenen in
de ochtend. Daar moet de leerkracht een kind in coachen en individueel
stimuleren, meent hij. ‘Maar ik zie heel duidelijk dat veel kinderen
zaakvakken beter leren met IPC. Ik had bijvoorbeeld een jongen in groep 8
die vroeger altijd slecht scoorde op geschiedenistoetsen, maar de stof door
mind mapping ineens wél goed kon onthouden.’ Van dit verschijnsel, een
visueel schema dat de kinderen zelf moeten maken en waarmee ze informatie en
gedachten kunnen ordenen, maakt het IPC veel gebruik.
Chinezen
Ty (10) in groep 7 is bezig met het maken van een mind map voor het
ict-onderdeel van het thema ‘nederzettingen’, hetzelfde als waar Wessel,
Jasper, Yalda en Lianne uit groep 8 mee bezig zijn. Haar opdracht is: hoe
zou de wereld eruitzien als het een stad van 100 mensen zou zijn? In het
midden van haar papier heeft ze een wereldbol getekend waaruit twee pijlen
steken, waarbij ze heeft geschreven ‘talen’ en ‘landen’. De pijl met ‘talen’
heeft weer vertakkingen naar Chinees, en daarbij heeft ze het woord ‘Nihou’
geschreven met het bijbehorende karakter, dat ze heeft opgezocht op
internet. ‘Ik vind het leuk, want je mag alles zelf doen’, zegt ze, ‘en je
mag elkaar ook helpen en tips geven.’ Wat heeft ze nu geleerd? Niet alleen
dat er meer dan een miljard Chinezen zijn, maar ook: hoe je de wereld kunt
verdelen in landen en talen en waarom.
Creatief zijn
Voor de leerkrachten was het wel even wennen, werken volgens IPC. ‘Het kost
meer tijd, omdat je een thema helemaal zelf moet voorbereiden’, vertelt Fred
Eissing van groep 4. ‘Bij IPC zijn de lessen niet van tevoren helemaal
uitgewerkt. Je moet zelf creatief zijn, de zoekopdracht goed formuleren en
websites zoeken. Kinderen in groep 4 kunnen niet alle websites goed
begrijpen, dus die moet je als leerkracht eerst zelf opzoeken en voor ze
klaarzetten.’ Maar hij is er enthousiast over. ‘Ik vind het goed dat ieder
thema vanuit meerdere kanten wordt belicht. Het wordt voor kinderen
gemakkelijker om een link te leggen en dat is toch ook hoe de wereld in
elkaar zit’.
Directeur Helmink heeft gemerkt dat het niet voor iedereen gemakkelijk is. ‘Nederlandse leerkrachten zijn gewend om in de traditionele methodes te werken. Ze denken dat als je de methode uit het boekje volgt, de leerlingen automatisch de stof kennen. Maar bij IPC moet je anders denken en creatieve oplossingen zoeken. Je moet je denkwijze veranderen.’
Niet goedkoop
Hans Luijten van IPC Nederland geeft toe dat er voor de docenten meer werk in
zit, zeker in het begin. ‘Sommige scholen die bij ons informatie komen
inwinnen zijn wel enthousiast, maar besluiten het toch niet te doen, omdat
ze huiverig zijn voor de tijdsinvestering’. IPC is ook niet goedkoop. Het
kost een school ongeveer 15.000 euro voor lesmateriaal en training van
docenten. Daar komen nog de kosten van computers en camera’s bij, waar veel
mee wordt gewerkt. ‘Maar dat heb je er snel weer uit. Het is ook een
vervanging voor lesmateriaal van alle vakken afzonderlijk. Bovendien kunnen
de thema’s het volgende jaar worden hergebruikt, zodat je ze niet opnieuw
hoeft voor te bereiden.’ Luijten wil met IPC Nederland proberen om het
curriculum ook in het leerpakket van de pabo’s te krijgen, omdat het bij
aankomende leerkrachten nog niet zo bekend is. Pieter de Kool spreekt de
hoop uit dat IPC blijft groeien. ‘Het is mijn doel dat ieder kind in
Nederland in ieder geval de keuze heeft om naar een school met IPC te gaan’.
Bram uit groep 8 van De Esdoorn is er in ieder geval blij mee. Hij heeft een werkstuk over New York gemaakt en laat de foto’s van wolkenkrabbers zien, die op de kleurenprinter zijn afgedrukt. ‘Ik vind het leuk, maar wel vervelend dat je heel veel moet knutselen, want daar ben ik niet zo goed in’. Hij maakt liever een werkstuk. ‘Dat vind ik veel creatiever’.