
Een aantal Amsterdamse opleidingen wil studenten klaarstomen tot ondernemers die de Nederlandse economie nieuw leven inblazen. Maar valt ondernemen wel te leren? 'Je moet oppassen voor doelloze entrepeneurs.'
|
Op naar een ‘entrepreneurial economy’ |
Amsterdam wil massaal hoogopgeleide ondernemers gaan produceren. Alle hoger onderwijsinstellingen in de regio doen hieraan mee. De nieuwe ondernemersopleiding, die deze maand van start gaat, wordt grotendeels betaald door het ministerie van Economische Zaken. Kosten: 6 miljoen euro.
Waarom? Politici en economen bestempelen ondernemerschap al jaren als dé brandstof voor onze economie. Maar toch is er in Nederland vergeleken met andere landen een enorm gebrek aan ondernemerschap. Terwijl de gemiddelde Harvardstudent als vanzelfsprekend een eigen bedrijf wil beginnen, overweegt maar 9 procent van de Nederlandse hoogopgeleiden dit.
Dat ligt niet alleen aan henzelf. De Wereldbank concludeerde eerder al dat het ondernemersklimaat voor starters in Nederland erg ongunstig is. ‘We moeten meer hoogopgeleide ondernemers kweken’, zo redeneert het Centrum van Amsterdamse Scholen voor Entrepreneurship (CASE), het samenwerkingsverband dat van Amsterdamse studenten ondernemers wil maken. Maar is ondernemen wel te leren? En waarom wil Nederland specifiek hoogopgeleide ondernemers?
Drastische ommezwaai
Er is geen onderzoek dat uitwijst dat ondernemen te leren is. Hoogleraar en onderzoeker entrepreneurship en organisatie voor de UvA Mirjam van Praag is er desalniettemin optimistisch over. Van de tweehonderd topondernemers in Nederland heeft 90 procent een hbo- of wo-opleiding afgerond. ‘Bovendien staat het vast dat ondernemers hun kennis veel breder inzetten dan gewone werknemers. Het ligt ook voor de hand dat hoogopgeleide ondernemers makkelijker aan geld komen bij investeerders.’
Van Praag, die ook werkt voor het Amsterdamse Centrum voor Entrepreneurship (ACE), is daarom van mening dat er een drastische ommezwaai moet komen. ‘Het is zonde dat bijna alle hoogopgeleiden in Nederland voor een vaste baan bij een bedrijf of een functie als onderzoeker kiezen.’
Entrepeneurship
Overal in Nederland bestaan er al centra die met entrepreneurship voor hoogopgeleiden bezig zijn, maar CASE zegt met een primeur te komen. Er moeten uiteindelijk zes onderwijsprogramma’s in curricula komen, met per jaar 750 studenten in minors, 108 studenten die afstuderen in het vak eigen bedrijf, en honderd masterstudenten.
Joeri van den Steenhoven, voorzitter en medeoprichter van denktank Kennisland heeft zo zijn bedenkingen. ‘Nederland heeft een tekort aan entrepreneurs omdat er te veel onnodig papierwerk komt kijken bij het starten van een bedrijfje’, zegt hij. Van den Steenhoven bedenkt voor Kennisland strategieën en concrete acties die bijdragen aan de Nederlandse kenniseconomie. ‘Er heerst hier een slechte ondernemerscultuur. Zodra je een keer failliet gaat, wantrouwt elke investeerder je. Dat moedigt natuurlijk niet aan’, legt Van den Steenhoven uit. ‘In de VS investeren ze juist eerder in je als je failliet bent gegaan, omdat je ondertussen weet hoe het niet moet. En als je een bedrijfje opdoekt, betekent dat niet per se dat je niet succesvol bent. Misschien heb je er wel drie en gaat je aandacht uit naar het bedrijf dat het beste draait, dus hou je met de andere twee op’, legt hij uit.
'Wat studeer je?'
'Van den Steenhoven is er niet van overtuigd dat je succes in het ondernemen afhangt van je opleidingsniveau. ‘Kijk maar naar Joop van den Ende: die is begonnen als decorbouwer’, zegt hij. ‘Met een aparte opleiding voor ondernemers krijg je het scenario van de doelloze entrepreneur. ‘Wat studeer je?’ ‘Entrepreneurship’. ‘Waarin dan?’ ‘Ja, dat weet ik eigenlijk niet.’ ‘Dat moeten we natuurlijk niet hebben’, aldus Van den Steenhoven.
‘Het is goed voor onze economie als studenten meer ondernemen, dat hebben we ook nodig, maar met een ongericht schot hagel bereik je dat niet. Daarmee bedoel ik dat de student beter eerst een concreet idee heeft, en bij de uitwerking daarvan pas aan ondernemerschapsonderwijs moet denken. Alleen als de studie zich op specifieke doelgroepen richt lijkt het mij van toegevoegde waarde. Dus eerst een idee of passie, dan pas onderwijs! Denk aan rechtenstudenten die een advocatenkantoor willen beginnen of studenten bouwkunde die een architectenbureau willen starten.’
Genereren van ideeën
Bij CASE is het inderdaad niet vereist dat de student al een idee of ondernemersplan heeft. ‘Maar de entrepreneurs in opleiding beginnen bij ons in brainstormsessies meteen met het genereren van ideeën’, zegt Van Praag. ‘Daarna gaan ze met bestaande bedrijven en ondernemers aan de slag om wat ze leren in de praktijk te brengen.’
Het gaat om een innovatieve manier van onderwijzen, aldus Van Praag. ‘Studenten vormen bijvoorbeeld voor een kunstenaar of techneut het verlengstuk naar de markt. Met bedrijven zetten ze een nieuw bedrijf op, naar voorbeeld van de businesscases van het Amerikaanse Harvard, waar het motto experience is the best teacher centraal staat.’ Zo kunnen hoogopgeleide studenten de nodige ervaring opdoen die ze ten opzichte van de klassieke ondernemer missen.
Ook gaat CASE van start met een studenten- én een entrepreneursvereniging. Dit is een uitbreiding van de bestaande vereniging Students In Free Enterprise (SIFE). In de nieuwe vereniging zijn ook (ervaren) ondernemers welkom, om zo een nieuw netwerk op te bouwen waar de kersverse entrepreneurs ook deel van uitmaken.
Zelfvoorzienend
Of alle plannen waargemaakt kunnen worden is nog niet zeker. Na vier jaar houdt de subsidie op. Dan moet CASE zelfvoorzienend zijn. De ondernemers in opleiding moeten met het geld dat ze verdienen in de opgezette bedrijfjes bijdragen aan de voortgang van CASE.
Van den Steenhoven van Kennisland vindt het idee om CASE-studenten met kunstenaars of techneuten te koppelen goed. Hij benadrukt dat de ondernemer in opleiding wel een affiniteit met het vakgebied van de ontwerper moet hebben. Als voorbeeld noemt hij de Bugaboo, een kinderwagen naar Nederlands ontwerp, handig voor in de stad. De ontwerper schakelde zijn zwager, een ondernemer met interesse, in om zakelijk verder te komen. ‘Door de samenwerking groeide het bedrijf binnen vijf jaar uit tot een miljoenenbedrijf.’
|
Geert-Jan Persoon (24): ‘Minor ondernemerschap had ik wel gevolgd’ |
|
Ernst-Jan Pfauth in het Stedelijk Museum (foto: Jean-Pierre Jans)
Ondernemer Ernst-Jan Pfauth (22): ‘Typisch Nederlands om niet op je bek te mogen gaan’ |
EscenicId: 716115
Op de Nederlandse snelwegen stond vanmiddag op het hoogtepunt 831 ...
Sommige mensen opperen dat een opgeruimd bureau zorgt voor effectiever en ...
40 procent van de werknemers wil liever niet werken voor een werkgever die ...
De werkloosheid onder westerse en niet-westerse allochtonen is het ...
Een Italiaanse vrouw kon het niet meer aanzien dat haar zoon zonder werk ...