
Oud-schaatser Ben van der Burg (41) moest na jaren van spelshows en een carnavalshit moeite doen om van het imago van schnabbelclown af te komen. Inmiddels wordt hij als ict-adviseur redelijk serieus genomen, maar hij is er nog niet. ‘Ik wil thought leader worden.’
De carrière van Ben van der Burg (41) is niet bepaald rechtlijnig te noemen. Van 1986 tot 1992 was hij schaatser. Hij werd in 1990 tweede op het WK, maar na een val moest hij zijn schaatscarrière in 1992 beëindigen. Toen moest hij wat anders gaan doen.
Al gauw kwam de zoon van een tuinder uit het Westland erachter dat hij, zoals hij het zelf zegt, hoognodig wat aan zijn algemene ontwikkeling moest gaan doen. ‘Want zo weinig als ik wist, dat sloeg helemaal nergens op.’
Hij besloot Nederlands te gaan studeren, nadat het schrijven van columns voor het Algemeen Dagblad goed was bevallen. Om de studie te financieren deed hij werk voor tv-programma’s zoals De Heilige Koe en Transport Magazine. Daar was hij terechtgekomen nadat hij als schaatser al had opgetreden in allerlei spelshows. ‘Ze wilden me allemaal, omdat ik ‘een authentiek mens’ was.’
Een keer maakte hij een reisprogramma waarvoor hij twee weken van mooie plek naar mooie plek mocht vliegen. ‘En ik kreeg er nog 20.000 gulden voor ook. Van jouw belastingcenten!’ Tussendoor was hij, onder meer, mental coach van het tafeltennisteam Amsterdam United, maakte hij een carnavalskraker, deed hij mee aan nog meer spelshows, en begon hij een aantal romans, waaronder eentje met de werktitel Het dilemma.
Want wat ook had meegespeeld in zijn keuze voor de studie Nederlands, was dat hij de Nobelprijs voor Literatuur wilde winnen. Hij kwam er vrij snel achter dat het winnen van de Nobelprijs voor Literatuur niet te doen is. ‘Veel, veel moeilijker dan de Olympische Spelen winnen.’
Gaandeweg werd het een ‘trucje’, tv en radio maken. Tijdens zijn studie
ontdekte Van der Burg internet. Daar wilde hij verder mee, en zijn ervaring
als ‘media producer’ was in 2000 welkom bij Vodafone, dat een nieuwsportal
wilde maken waar ‘content’ op moest. In 2003 werkte hij aan televisie op de
mobiele telefoon, wat Vodafone Live heette. In 2006 stapte hij over naar
WebAds, dat zich bezighoudt met advertenties op internet en mobiel; intussen
volgde hij een MBA-opleiding aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
|
Wie is Ben van der Burg? |
Sinds twee weken is hij begonnen bij Triple IT. Dat maakt – kort gezegd – programma’s waarmee je televisie kunt kijken op je mobiel. Hij laat op zijn iPhone Rumble zien. Het zit nog in de testfase. ‘Je kunt daarmee live op je mobiel tv kijken. Maar je kunt het ook meteen opnemen en terugspelen, en fragmenten naar vrienden sturen.’
Dit is wie hij nu is, een ‘nieuwe mediaman’. Alle oude interviews met hem, ‘die kun je beter verscheuren’, want het is ‘allemaal gelul’ van de enthousiaste deelnemer aan De Tandenborstelshow van destijds, de jongen ‘die niet wist wat zijn doel was’. Niet dat hij niet meer ‘authentiek’ is. Hij zet gekke stemmetjes op, rolt met zijn ogen, doet allerlei dingen met peper- en zoutbusjes om zijn betogen kracht bij te zetten, en geeft zelden een rechttoe-rechtaan antwoord op een vraag.
En ja, men ziet hem nog steeds meer als de lekker gekke, clinics gevende
ex-schaatser dan als de internetkenner. Maar de balans slaat om, langzaam
maar zeker, en dat proces is begonnen toen zijn vrouw tegen hem zei: ‘Ben,
alles is goed, maar je moet geen cliniclown worden.’ ‘Dat was een
topopmerking.’
Heb je spijt van al die spelshows?
‘Ja, zeker. Mensen zeggen vaak dat je geen spijt van dingen mag hebben, maar
dat is onzin. Ik was net gestopt met schaatsen en toen vroeg Gert Berg (een
ex-tv-presentator, red.) me voor een of ander programma van hem, om een
liedje van André van Duin te zingen, terwijl ik niet kon zingen.
Later maakte ik een carnavalsnummer met René van der Gijp (oud-voetballer,
red.). Ik had zes jaar in de kokervisie geleefd, en dan vragen ze je om een
carnavalshit te maken. Ik dacht: lachen, doen. Nu heb ik er spijt van, want
het scheelt in hoe mensen me zien. Tussen hoe ik ben en hoe mensen me zien,
daar zit, nou¿’ Van der Burg spreidt zijn armen.
Een heel stuk tussen.
‘Niet normaal. Mensen denken dat ik met heel andere dingen bezig ben. Nee, ik
hou niet van carnaval. Ik hou van Bach, ik lees De Prooi, en kijk naar
Tegenlicht.’
Later zegt hij: ‘Wat trouwens ook meespeelt: uit onderzoek is gebleken dat
mensen met lang haar, krullen, pluizenbollen zeg maar, minder serieus worden
genomen. Mannen in pak: serieus. Blonde vrouwen: niet zo. Dat is een feit.
Dat ik de columns van (NRC-columnist, red.) Bas Heijne geweldig vind, past
niet bij het beeld: niet serieus, oppervlakkig. Naar mijn idee kun je Bas
Heijne interessant vinden, ook als je ‘los’ bent zoals ik.’
Wat moest er gebeuren voordat je vrouw zei dat je geen cliniclown moest
worden?
‘Dat weet ik niet meer. Ik zag het destijds zelf ook al wel. Als ik twintig
jaar nadat ik goed was in schaatsen, weer op het schaatsen moet terugvallen
– dat vind ik zielig.’ Vandaar dat hij minder vaak op tv te zien is, al was
hij tijdens de jongste Olympische Spelen wel her en der te zien. ‘Maar
alleen als ze me vragen. Ik doe geen moeite meer. Ik kan van schaatsen mijn
werk maken, maar er zijn intellectueel uitdagender dingen te doen.’
Zoals werken op het snijvlak van internet, media en telecom. In die werelden
heeft hij een vast plaatsje verworven. Een marketingmedewerkster van
Microsoft, waar hij deze middag een afspraak heeft, noemt hem ‘een icoon
voor de mobiele branche’. In de koffiebar van het kantoor van de
softwaregigant vertelt hij over zijn nieuwe werk. Bij Triple IT denkt hij nu
na over mobiele live televisie, en hoe je dat te gelde kunt maken.
Wat trekt je aan in dit werk?
‘Ik vind het onwijs mooi, om mobiel internetgebruik te stimuleren. Er zijn
veel toepassingen denkbaar voor onze technologie. Denk bijvoorbeeld aan een
traumahelikopter. Als er een camera in zo’n heli zit, kan de arts in het
ziekenhuis of op weg naar het ziekenhuis al op zijn mobiel zien wat er aan
de hand is met die patiënt.’
Is dat nu al technisch mogelijk?
‘Ja. We willen daarover met ziekenhuizen in gesprek. Met de politie zijn we al
wel bezig. Dat ze op het politiebureau kunnen zien wat agenten ter plaatse
zien. Een ander voorbeeld: live televisie gebeurt nu met megadure
satellietauto’s. Maar het kan ook anders: je pakt een kastje, je doet er
simkaarten in, en je comprimeert die netwerken. Dan heb je geen
satellietauto nodig. De kosten gaan naar beneden, je houdt meer geld over
voor programma’s.’
Dat
heeft jouw belangstelling.
‘Ja. Mediabedrijven moeten zorgen dat ze een duurzaam businessmodel hebben.
Want als jij niet meer betaald kan worden, kun je geen onafhankelijke
journalistiek bedrijven. Niet meer kritisch naar de samenleving kijken, niet
meer de macht controleren. En dat is belangrijk. Anders nemen amateurs het
over.’
Je gelooft niet in de ‘kracht van de amateur’?
‘Ik ben van de nieuwe media, dus ik geloof wel in de kracht van het
specialisme van de amateur. Maar ik wil ook dat de Bas Heijnes en de
(Volkskrant-columnist, red.) Bert Wagendorps blijven bestaan. Daarom moeten
serieuze media goed nadenken over hun verdienmodel. Nu moeten ze het van de
suikerooms hebben, die zeggen: leuk. Maar institutionele beleggers kijken
wel uit.
Ik lees nu een boek, The Curse of the Mogul, daar staat dat het gemiddelde
rendement op beleggingen in de periode 1995-2005 zo’n 9 procent is. In
mediabedrijven: 2,5 procent. Tsja.
‘Mensen in de olie-industrie denken voortdurend over hoe ze de olie goedkoop
uit de grond kunnen halen. Daarmee doe je op feestjes niet mee, maar het is
wel efficiënt. Dat zouden media ook moeten doen. Het is ter bescherming van
de democratie! Als de serieuze media niet meer bestaan, dan is het van (zet
achterlijke stem op) iedereen roept een beetje, iedereen roept een beetje,
roept een beetje...
Dan krijg je vijfentwintig politieke partijen. Alleen roepen, niet luisteren.
Maar over efficiency nadenken is niet sexy. Wel sexy is (zet gevat stemmetje
op): hee gozer, ik ga effe met Marco van Basten lunchen.’ Nadenken over dit
soort onderwerpen, ‘dat is passie’, zegt hij even later.
Weet je intussen wel wat je doel is?
‘Het allergrootste doel is een oude wijze man worden. Da’s lekker vaag, ja.
Wat ik bedoel: dat je gaat zitten en mensen denken: ja dat klopt. Mijn
overbuurman, die is 83, die nodig ik wel eens uit. Die weet veel, las veel.
Van hem kan ik erg genieten.’
En iets concreter?
‘Concreet... op kortere termijn wil ik een thought leader worden in
digitalisering, in technische veranderingen en hoe mensen daardoor
veranderen. Ik heb de overgang van analoog naar digitaal bewust meegemaakt,
bij Vodafone al vroeg van dichtbij.
‘En ik wil mensen enthousiasmeren. Een vriend van me zegt: door jouw rare
gedragingen zet je mensen wel aan het denken. Iedereen die ik spreek,
iedereen die ik tegenkom, hoop ik te inspireren. Mijn vrouw zegt trouwens:
ja-ja-ja Ben. Maar ik hoop dat mensen denken als ze iets over me lezen, dat
ze wel denken: hee! Dat het ze iets gedaan heeft. Al is het maar een letter.
Anders voeg ik niks toe. Dan had ik er net zo goed niet geweest kunnen zijn.
Dat is mijn angst.’
Had je dan achteraf niet gewild dat je niet had geschaatst?
‘Heb ik lang gedacht. Dat die zes jaar zonde zijn geweest, dat ik alle energie
in rondjes rijden had gestoken. Als ik dat toch in de boeken had gestopt, in
de wetenschap... Dan was ik nu al die thought leader geweest.
Maar iedereen zegt: Ben, dankzij de sport heb je je perspectief kunnen
verruimen. Zelf weet ik dat nog steeds niet zo zeker. Mijn vrouw zegt: de
sport was een stap, je had dat nodig om uit het Westland te komen. Ik woonde
achter de Zwet. Niemand was nog over die Zwetbrug geweest. Nou niemand,
bijna niemand. Daar heeft ze misschien wel gelijk in.’
Doelen. Ambitie. Op dat thema wil Ben van der Burg aan het eind van het
gesprek terugkomen. ‘Ik wil ambitie nuanceren. Ik vind het heel vermoeiend,
ambitie. Als je veertiger bent en dan nog van die hijgende ambitie hebt. Get
real. Je moet weten waar je voor bedoeld bent op de wereld en dat heel erg
goed doen. Dat is alles. Dat is de kern van Ben.’
Maar
jij hebt ook ambitie. Je wilt thought leader worden.
‘Al ben ik maar thought leader in mijn gezin. Dat is ook al goed. Ik moet nu
een anekdote vertellen. Een buurman van mij kent Ronald Plasterk goed.
Plasterk, zegt mijn buurman, is de engste man die bestaat. Hij ging samen
met Plasterk studeren, en wie deed er nooit wat voor zijn studie? Plasterk.
Wie kreeg er tienen? Plasterk. Wie kreeg de mooiste vriendinnen? Plasterk.
Gingen ze naar een feestje, wie kreeg alle aandacht? Plasterk. Wie kon er
het beste voetballen? Plasterk. Gingen ze promoveren, wie deed er nooit wat?
Plasterk. Wie haalde het hoogste cijfer? Plasterk. Deden ze onderzoek, wie
kreeg er het hoogste budget? Je hebt hem.
‘Die man is briljant. Mijn buurman leerde al snel: daar kan ik niet tegenop.
Plasterk denkt trouwens zelf ook niet in termen van ambitie. Hij zei een
keer in een interview: alles dat ik doe, doe ik met 100 procent toewijding.
Daaruit ontstaan kansen. En dan overweeg ik of ik op die kansen in ga.
‘Dat vond ik mooi, dat heb ik uitgeprint. Zo wil ik ook denken.’