
Kampt de docent met een negatief imago? Vier deskundigen discussiëren op uitnodiging van VKbanen over de stand en de toekomst van het Nederlandse onderwijs. 'Onterecht wordt de illusie gewekt dat er de afgelopen tien jaar verschrikkelijk is geknoeid.'
|
Aleid Truijens reageert in de Volkskrant van 21 april op deze groepsdiscussie. Lees haar column hier.
Presley Bergen (1957) is bestuurslid van Beter Onderwijs Nederland (BON). Deze vereniging is opgericht vanuit de groeiende onvrede onder docenten over de vernieuwingen in het onderwijs. BON vindt onder meer dat de zeggenschap over de inrichting van het onderwijs bij docenten moet liggen.
Robert-Jan Simons was van 1990 tot 2001 hoogleraar onderwijs- en opleidingspsychologie en onderzoeksdirecteur pedagogiek en onderwijskunde in Nijmegen. Sinds 2001 is hij hoogleraar Didactiek in digitale context aan de Universiteit Utrecht. Daar leidt hij het expertisecentrum ICT en (hoger) onderwijs. Sinds september 2006 is hij directeur van het IVLOS, het opleidingsinstituut van de UU.
Thomas Jager (1953)
Rob Martens was van 1991 tot 2004 ‘onderwijstechnoloog’ en universitair docent aan de Open Universiteit. In 2007 werd Martens daar benoemd als hoogleraar op de bijzondere leerstoel Multimediale educatie. Hij is momenteel hoogleraar en hoofd onderzoek bij het Ruud de Moor Centrum van de Open Universiteit, het expertisecentrum voor professionalisering van beginnende en ervaren leraren. Foto's: Kick Smeets |
Leraren zijn overwerkt en leerlingen onhandelbaar, het kennisniveau is gedaald en veel onderwijsvernieuwingen bleken vernielingen. Althans, dat is het geluid zoals dat vaak te horen is in de media. Maar klopt het ook?
VKbanen organiseerde een rondetafelgesprek met vier onderwijsdeskundigen: onderwijspsycholoog Rob Martens van de Open Universiteit, Robert-Jan Simons directeur van het IVLOS (het opleidingsinstituut van de Universiteit Utrecht), Presley Bergen van Beter Onderwijs Nederland (BON) en Opleidingsmanager Thomas Jager van de School of Education (Hogeschool INholland). De belangrijkste vraag in het gesprek was: wat moeten we veranderen aan het onderwijs zodat het aantrekkelijk wordt en blijft om op een middelbare school te werken?
Het gesprek werd gevoerd aan de hand van vier hoofdthema’s: de beeldvorming, de inhoud van het onderwijs, de werkdruk en tot slot de aanbevelingen van het viertal voor de toekomst. Voorafgaand aan het gesprek bekeken de deskundigen ook de resultaten van de VKbanen Barometer Onderwijs.
Beeldvorming
Simons: ‘Ik heb de afgelopen jaren de onderwijsredactie van de
Volkskrant vele malen tot een positievere toon over onderwijs proberen te
verleiden. Zonder succes. Het lijkt wel of de toon juist steeds negatiever
wordt. Dat zie je ook aan de resultaten van de barometer. Docenten voelen
zich het minst gewaardeerd door de media en het Nederlandse publiek.’
Bergen: ‘Maar dat idee komt niet uit de lucht vallen. Vanuit het hele
land krijgen wij verontrustende berichten van ouders, studenten én docenten.
Er wordt niet ‘negatief’ geschreven, het is een weergave van de
werkelijkheid.’
Simons: ‘Ik ben wel blij dat onderwijs eindelijk weer in de belangstelling staat, alleen niet altijd met de manier waarop. Nooit zien of horen we iets wat wél werkt.’
Jager: ‘Het onderwijs is een diaspora van stromingen die soms lijnrecht tegenover elkaar staan. Maar feit is dat het nostalgische beeld dat mensen hebben van de leraar haaks staat op de realiteit van de moderne leraar.’
Martens: ‘Dat beeld is fictief. Er wordt al zeventig jaar geklaagd over bezuinigingen, de kwaliteit van de kweekschool en het aanzien van het beroep. En nu wordt onterecht de illusie gewekt dat er de afgelopen tien jaar verschrikkelijk veel is geknoeid in het onderwijs.’
Simons: ‘En omdat er zo’n negatief beeld is ontstaan over het leraarschap, gaan mensen dat op zichzelf betrekken. Vandaar de klaagcultuur in het onderwijs.’
Martens: ‘Op een verjaardagsfeestje vertel je niet trots dat je docent bent.’
Bergen: ‘Er is ook steeds meer geknaagd aan de omstandigheden waarin een leraar als professional kan werken. Daar reageren docenten op, dat is niet gek. Het klagen heeft meer met de aard van de organisatie te maken dan met het beroep, denk ik. Vroeger had de docent wel degelijk meer aanzien. In de jaren ‘70 verdiende een leraar net zoveel als een Kamerlid, kun je je dat nu voorstellen?’
Martens: ‘De cijfers van uitval en burn-out in het onderwijs zijn groter dan in andere sectoren. Er is daadwerkelijk iets aan de hand. Maar ook dat is niet nieuw, in de jaren ‘50 vroeg men zich al af waarom docenten zo vaak ‘zenuwziek’ werden. Het is de fuik van de-professionalisering waar mensen in het onderwijs in gevangen worden. De docent heeft relatief weinig carrièreperspectieven. Hij is vaak alleen aangewezen om het boekje door te werken. De druk – die afgelopen jaren alleen maar is gegroeid – om het af te krijgen is groot. Dat maakt de ruimte om je als professional te ontplooien heel klein.’
Bergen: ‘Je kunt niet als een professional handelen als je geen autonomie hebt. Een jonge leraar moet voldoende basiskennis hebben, daar ontbreekt het op veel lerarenopleidingen aan.’
Jager: ‘Onzin. Lerarenopleidingen moeten wel degelijk aan bepaalde eisen voldoen. Er is nu een plan gelanceerd om universitaire studenten makkelijker het onderwijs in te laten stromen. Je kunt je afvragen of dat nou wel voldoende basis is – qua pedagogische en onderwijskundige vorming – om in bijvoorbeeld een lastige vmbo-school te opereren.’
Inhoud
Simons: ‘Wie bepaalt nu eigenlijk wat er gebeurt in een klas? Het is een te simpel idee dat de docent dat alleen zou kunnen, of dat de school dat zou moeten doen, of de politiek. Het is een complex geheel van factoren en naar mijn smaak wordt de inhoud van het onderwijs teveel bepaald door de vakcommissies. Daarin zitten alleen vakdocenten, terwijl het een samenspel zou moeten zijn van de hele samenleving. Wat willen wij nu eigenlijk in het onderwijs? Scholen zijn van ons allemaal. Onderwijs wordt veel te veel volgepropt met zinloze kennis. De optelsom van al die vakken bij elkaar zorgt ervoor dat we heel oppervlakkig alles een keertje langs laten komen.’
Martens: ‘We moeten niet hameren op die kennis alleen. We moeten beseffen dat leerlingen die nu een jaar of 12 zijn in beroepen terecht gaan komen die nu nog niet eens bestaan. Dat klinkt misschien modieus, maar er is echt iets gaande. Ik heb bijvoorbeeld een smartphone. Alle informatie van de wereld kan ik hiermee tot mij nemen. Ik kan alles opzoeken wat ik wil. En dat zal alleen maar verder gaan. De wereld is veranderd door informatietechnologie. En leerlingen moet je daarop voorbereiden.’
Jager: ‘Helemaal mee eens.’
Simons: ‘En dan schrijft de voorzitter van BON, Ad Verbrugge, dat de computer in het klaslokaal zwaar wordt overschat.’
Bergen: ‘Het grote verschil in opvatting is dat jullie middelen als doel zien. BON ziet de computer en internet als middelen. Ik heb niks aan Wikipedia als ik de informatie niet kan omzetten in kennis. Informatie is dood als je geen achtergrond hebt. Wat moet je dan zeggen: het oplossen van spelfouten, het maken van berekeningen, dat hoeven we dat dan maar niet meer te leren, want dat kan de computer wel voor je doen?’
Jager: ‘Dat is flauw. Technologie is iets waar de leerling in de 21ste eeuw mee wordt geconfronteerd. Daar moeten we onze leraren mee uitrusten.’
Bergen: ‘Ik kan ook niet zonder laptops in de klas. Ik mail ook, mijn studenten zoeken ook dingen op op internet. Maar ik gebruik het als middel! Van krijtbord naar whiteboard en smartboard. Dat zijn middelen die je helpen beter en sneller met je onderwijs om te gaan.’
Martens: ‘Maar je kunt ook nog een stap verder denken en concluderen dat er ook nieuwe didactische vormen kunnen ontstaan door technologie.’
|
Feiten over het onderwijs
GEEN VAKKENPAKKET
EINDTERMEN
WEINIG VERSCHIL
STUDIEHUIS
INTERNATIONALE FEITEN |
Simons: ‘Laten we eens een schatting maken: hoeveel docenten in het voortgezet onderwijs gebruiken Google Maps in hun aardrijkskundelessen?’
Bergen: ‘Dat heeft ook met facilitering te maken.’
Simons: ‘Niet alleen. In het onderwijs wordt onvoldoende aangesloten bij buitenschoolse ontwikkelingen. De wereld is aan het veranderen. Digitalisering maakt beroepen heel anders, het verandert de manier hoe je met informatie omgaat en wij slagen er niet in om daar in het onderwijs een goed antwoord op te vinden. Kinderen die thuis uitgebreid met Google Maps werken maar op school in een oud boekje moeten bladeren, dat klopt toch niet?’
Martens: ‘We hebben te maken met een generatiekloof. Een digitale kloof. Ik lijk misschien Chriet Titulaer met mijn smartphone, maar het is zo.’
Bergen: ‘Het feit dat de wereld digitaliseert, wil niet zeggen dat kinderen in wezen veranderen. Waar komt die logica vandaan?’
Simons: ‘Dat álle kinderen zes uur per dag met computers bezig zijn, is natuurlijk niet zo. Er zijn juist grote verschillen. Een school moet voorbereid zijn op kinderen die alles met computers kunnen en kinderen die geen idee hebben wat op internet gebeurt. Die denken dat ‘datgene wat het meeste voorkomt’ de waarheid is. Het is dus heel belangrijk dat ze leren kritisch met nieuwe media om te gaan.’
Bergen: ‘Dat ben ik met je eens.’
Martens:‘Er is niet één lesmethode zaligmakend. We hebben toegang tot veel meer mogelijkheden.’
Jager: ‘Het is belangrijk dat docenten creatief kunnen zijn in een groter leergebied dan alleen hun vak. Daar blijkt grote behoefte aan, vooral onder vmbo-scholen.’
Bergen: ‘Ik heb zo mijn twijfels over die al te grote leergebieden. Scholen maken er teveel gebruik en soms ook misbruik van. Die docent Engels die kan ondersteunen bij Frans, wordt ineens ingezet om alleen Frans te geven. Dat haalt de kwaliteit van het vak Frans naar beneden. Als mijn kinderen klagen over school is het altijd hetzelfde: die docent weet niks. Dus de docent van de toekomst moet volgens BON veel weten over de inhoud van het vak, vakkennis.’
Martens: ‘Ik proef dat jij eigenlijk bedoelt dat die vakkennis nu is verwaarloosd. Ik spreek veel leerlingen en ik vraag altijd of ze het ook leuk vinden wat ze leren, wat ze doet op school. Dan kijken ze me met grote ogen van verbazing aan: ‘Hoezo, dat is toch niet de bedoeling, het moét toch gewoon?’ Dat vind ik een grote uitdaging van het onderwijs: je moet mensen voorbereiden op een leven lang leren. Plezier in het leren. Het onderwijs is te verkrampt op dit moment.’
Bergen: ‘Wie bepaalt wat goed is voor leerlingen, dat doen toch volwassenen?’
Martens: ‘Zo zwart-wit moet je het niet zien. Een kind moet niet alles blind opzuigen, er moet een uitwisseling zijn. Het heeft bij mij na de middelbare school nog jaren geduurd voordat ik besefte dat het werk van Hemingway fantastisch was. Het is aan de leraar om rekening te houden met de nieuwsgierigheid van het kind. Je kunt niet zomaar roepen bij het vak Engels: ‘lees je dat? Dat telt niet mee voor je lijst’.’
Werkdruk
Simons: ‘Wij hebben het grootste aantal lesuren per week van alle ontwikkelde landen. Dat is een grof schandaal.’
Jager: ‘De vraag is niet of je het aantal lesuren moet reduceren, de vraag is of je onderwijs nog wel moet meten in lesuren. Een lesuur, dat is geen eenheid voor een taak van de docent. Daar wil ik dolgraag vanaf.’
Bergen: ’En we worden het minste betaald.’
Simons: ‘En we hebben het grootste aantal leerlingen in de klas.’
Martens: ‘Ons niveau van onderwijs scoort internationaal heel hoog, maar ga eens kijken wat we er aan uitgeven. We zitten zoveel lager dan andere landen!’
Simons: ‘We zitten voor een dubbeltje op de eerste rij.’
Bergen: ‘Veel mensen roepen dan: er moet meer geld bij. Maar wat volstrekt onduidelijk is in Nederland, is waar dat geld naar toegaat. Maak die geldstromen transparant. Heel veel geld gaat naar plaatsen waar het niet moet gaan. Een bestuur heeft drie secretaresses en een andere school heeft een leger aan dure Audi’s. Scholen dragen af aan het bestuur in plaats van docenten.’
Martens: ‘Natuurlijk zie ik ook salarissen voorbij komen waarbij ik denk: goh, ik doe toch iets verkeerd, maar zeg je nu ook dat een management überhaupt te groot is en een verborgen agenda heeft?’
Bergen: ‘Ik geloof niet dat er in het onderwijs iemand rondloopt die niet integer is. Maar ik zie wel een glijdende schaal op het niveau van managementpraktijken. Een school is geen bedrijf. Je werkt met kapitaal van de burger, ik weet niet of iedereen zich dat wel goed realiseert.’
Toekomst
Simons: ‘Ik wil drie voorstellen doen voor de docent van morgen. Ten eerste worden kinderen steeds meer verschillend. Daar moet de docent van de toekomst op in kunnen spelen. Dat is een competentie die docenten nog niet voldoende beheersen – ook het signaleren van subculturen hoort daarbij. Een docent moet zich verdiepen in de jongerencultuur. Het kan niet dat een docent niet weet wat Hyves is. Er zijn ook leerlingen die buiten de boot vallen omdat ze thuis geen computer hebben. Die hebben straks een gigantische achterstand. Hen moet mediawijsheid worden bijgebracht. En een docent van de toekomst moet nog veel meer een teamspeler worden. Professionaliteit kan nooit individueel zijn. Ten derde moet een docent
EscenicId: 741925
Op de Nederlandse snelwegen stond vanmiddag op het hoogtepunt 831 ...
Sommige mensen opperen dat een opgeruimd bureau zorgt voor effectiever en ...
40 procent van de werknemers wil liever niet werken voor een werkgever die ...
De werkloosheid onder westerse en niet-westerse allochtonen is het ...
Een Italiaanse vrouw kon het niet meer aanzien dat haar zoon zonder werk ...