Ingenieur of chemicus kan overal terechtkomen

04/12/2009

Ingenieur of chemicus kan overal terechtkomen

Je eerste gedachte bij techniek is: sleutelen, bouwen, rekenen, passen en meten. Toch zijn er allerlei plekken waar je technici nooit zou verwachten, maar maar je ze wel tegen het lijft loopt. In de kunst, het ontwikkelingswerk of de sport bijvoorbeeld.

‘Ik vind het prachtig om in de kunsten te mogen werken’
Bart Ankersmit is conserveringsonderzoeker bij het Instituut Collectie Nederland (ICN). Hij is chemicus en doet onderzoek naar het binnenklimaat van musea.

Terwijl de meeste jaargenoten van chemicus Bart Ankersmit (44) na hun promotie naar multinationals als Shell en DSM trokken, had hij zich al tijdens zijn promotieonderzoek aangemeld als vrijwilliger bij het Scheepvaartmuseum. Eén ochtend in de week deed hij schilderklusjes en teerde het dek aan boord van de klassieke haringlogger ‘De Balder’.

Zilver beschermen
Hij had altijd al veel musea bezocht, maar tijdens het werken op dat schip ontdekte hij dat er een hele wereld achter schuilging. Het hoofd collectiebeheer van het Scheepvaartmuseum was het die Ankersmit wees op het bestaan van het Instituut Collectie Nederland (ICN). Dat heeft onder meer een laboratorium waar onderzoekers werken voor musea.‘ Bij mijn eerste project voor het ICN, nu tien jaar geleden, moest ik meedenken over het beschermen van zilvercollecties door deze in te pakken in plasticfolie’, zegt Ankersmit. ‘Dat was op vraag van het Groninger Museum, omdat hun zilver door het contact met zwavel in de lucht zo snel zwart werd. Ik moest uitzoeken wat voor folies er zijn, en of er een beter is dan de andere.

Algauw breidde het onderzoek zich uit naar andere metalen. Metaal heeft wel iets stoers. Bij een voorwerp van gesmeden brons bijvoorbeeld zie je jezelf al aan het aambeeld staan.’ Door zijn werk rond de achteruitgang van kunstvoorwerpen ging Ankersmit zich afvragen: hoe komt vervuilde lucht nu bij die objecten? Hoe komt lucht überhaupt het museum binnen, behalve dan door de voordeur?

Lucht analyseren

Zijn 25 collega-onderzoekers bij het ICN zijn gediplomeerd in de kunstgeschiedenis, biologie, chemische geologie, archeologie, schei- of natuurkunde. ‘Relatief veel van die mensen zitten op schilderijen, daar is verreweg het meeste animo voor’, zegt Ankersmit. ‘Ze nemen monstertjes, bekijken dwarsdoorsnedes van de verf en bestuderen zo vervalsprocessen en materiaalgebruik. Van onderzoekers zoals ik, die de vitrines en de lucht in musea analyseren, zijn er misschien vijftig in de hele wereld.' Een specifieke opleiding bestaat niet, omdat er maar zo weinig emplooi is in de sector.

‘Ik heb net een handboek uitgebracht over temperatuur en luchtvochtigheid in musea. Energiekosten zijn voor musea vaak de tweede kostenpost, na het personeel. Vaak stoken ze meer om het bezoekers naar de zin te maken, maar dat gaat dan ten koste van de collectie. Chemische processen verlopen sneller bij hogere temperaturen, en de ruimte wordt ook droger als het warmer is. Die kun je bevochtigen, maar daar voelen schimmels zich dan weer lekkerder bij. Dus zeg ik: zet die verwarming maar wat lager. Bezoekers zijn er toch maar een uurtje, desnoods houden ze hun jas maar aan.’

Klimaat voor meubels
‘Tegenwoordig ben ik bezig met een klimaatproject rond oude meubelen en eentje rond pastels. Een restaurateur maakt een kopie van de werken die we willen gaan beschermen. Die kopie zet ik in onze klimaatkamer, waarin we de temperatuur en luchtvochtigheid kunnen variëren. Daarmee willen we uitzoeken welk klimaat het best is voor de meubels, en welke verpakkingen de beste bescherming bieden voor de kwetsbare krijttekeningen.’

‘Ik vind het prachtig om voor de kunsten te mogen werken. Ik ben een romanticus wat dat betreft. Ik kom in aanraking met de mooiste dingen en de mooiste verhalen erachter. Geweldig vind ik het dat ik op werkbezoek altijd in musea mag rondlopen. Soms ga ik ook in het weekend met mijn drie kinderen. Toen ik onlangs een maand lesgaf in Peking, keek ik in de Verboden Stad mijn ogen uit. Als ik de recente discussie hoor over het optrekken van de pensioenleeftijd naar 67, ben ik eerder blij dan teleurgesteld.’

‘Ik werk aan duurzame energie voor Oost-Afrika’
Minda Groeneveld-Jusay is programmamedewerkster bij ontwikkelingsorganisatie Hivos. Ze heeft elektrotechniek gestudeerd en coördineert programma’s rond kleinschalige duurzame energie in Oost-Afrika.

Het heeft Minda Groeneveld-Jusay (57) ruim dertig jaar gekost een baan te vinden waarbij ze haar technische achtergrond opnieuw kon gebruiken. Groeneveld studeerde elektrotechniek aan de universiteit van het op een na grootste Filipijnse eiland, Mindanao, en gaf er nadien les. Ze leerde er haar Nederlandse man kennen, met wie ze op haar 23ste meeging. Een baan in de techniek bleek in Nederland echter niet te vinden.

Bejaardenzorg
‘Vrouwen hier werken in de zorg, het onderwijs, of andere sociale instanties, niet in technische beroepen’, zegt Groeneveld. ‘Mijn man geeft les aan de Hogere Technische School, en zelfs vandaag nog zijn al zijn studenten mannen. Niemand kon geloven dat ik als buitenlandse vrouw een electrical engineer kon zijn. Het uitzendbureau adviseerde me als bejaardenverzorgster te gaan werken.’

Uiteindelijk vond de Filipijnse een baan als administratief medewerkster op de advertentieafdeling van De Gelderlander. Ze werkte er drie jaar maar stopte toen ze kinderen kreeg, die inmiddels 30 en 29 zijn. Bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen gaf ze daarna af en toe freelance lessen interculturele communicatie. Ze deed vrijwilligerswerk op school, in bejaardentehuizen en bij belangenorganisaties voor de Filipijnen en migranten.

Dankzij dat sociale netwerk sleepte ze dertien jaar geleden haar eerste vaste baan in de wacht, als beleidsmedewerkster voor Azië bij ontwikkelingsorganisatie Hivos in Den Haag. ‘Ik had al meerdere keren gesolliciteerd bij ontwikkelingsorganisaties, maar mijn niet-perfecte kennis van het Nederlands was meestal een obstakel.’

Bijspijkeren
Bij een reorganisatie in 2006 werd ze overgeplaatst naar de afdeling duurzame ontwikkeling, waar ze nu drie dagen in de week werkt rond duurzame energie in de regio Oost-Afrika. ‘Voor het eerst doe ik iets waarbij ik mijn technische achtergrond kan gebruiken, heerlijk is dat. Omdat ik er zo lang niets meer gedaan had, heb ik me wel behoorlijk moeten bijspijkeren. Ik lees op internet alles wat los en vast zit over hernieuwbare energiebronnen.’

‘In Tanzania heeft slechts 2 procent van de plattelandsbevolking toegang tot het elektriciteitsnet. Dus zoek ik samen met een lokale partner naar de beste duurzame energiesystemen die in plattelandsgebieden bruikbaar zijn. De partner had een multifunctionele machine zien draaien in Mali, ik moet vervolgens beoordelen of die levensvatbaar is in de Tanzaniaanse context. Ik zoek naar geld en steun voor de machines, ook intern binnen Hivos. Daarna heb ik contact met onderzoekers en wetenschappers in Nederland die verstand hebben van duurzame technologieën zoals het omzetten van olie van de jatrophaplant naar biobrandstof.

‘We hebben nu twee pilots rond die ‘multifunctionele platforms’. Met de jatrophaolie wordt een generator aangedreven die het dorp van stroom voorziet, maar tegelijk ook een fruit- en zaadoliepers, waterpomp en maïsmaalderij aandrijft. Zo houdt het systeem zichzelf in stand. Ik ga zelf ook langs om te kijken of alles naar behoren werkt, want op afstand heb je geen idee of de lokale ploeg voldoende kennis heeft, en of iedere dorpeling gebruik mag van maken van de energie.

Efficiëntere kookfornuizen
‘Een ander project rond efficiëntere kookfornuizen heeft zijn succes in Tanzania al bewezen. In de voorsteden werkt het met houtskool, op het platteland met hout als brandstof. De houtskoolfornuizen werken 50 tot 60 procent efficiënter dan de vroegere fornuizen, die het ook sneller begeven. De nieuwe gemetselde houtstoven voor op het platteland zijn 40 procent efficiënter. Ik moet aan mijn bazen uitleggen hoe de technologie werkt en waarom het heel belangrijk is dat dit gesteund wordt: het bestrijdt de armoede én beschermt het milieu doordat er minder bomen gekapt worden.

Vrouwen in de stadsrand besteden minder geld aan houtskool, vrouwen op het platteland hebben meer tijd omdat ze minder hout moeten halen. Er hangt minder rook in huis, wat goed is voor de gezondheid van de bewoners. Technologie is vooruitgang. Jammer dat er maar weinig vrouwen in het Westen mee bezig zijn.’

‘De pop voor in de windtunnel heb ik zelf in elkaar geknutseld’

Bert van der Tuuk is met zijn vrouw eigenaar van het sportkledingbedrijf Sportconfex. Hij heeft de mts werktuigbouwkunde gedaan.

Als tiener deed Bert van der Tuuk (41) verwoed aan sport. Schaatsen in de winter, wielrennen in de zomer: elke dag trainde hij twee tot drie uur. Vooral dat eerste ’op een redelijk niveau’, lees: het niveau NK. De jongens met wie hij toen wedijverde om de medailles, komt bedrijfsleider Van der Tuuk nu vaak tegen als schaatscoach of ploegleider. Zij geven belangrijke feedback over de schaatspakken die Van der Tuuk levert.

Sporttextiel
Van der Tuuk deed eerst de lts en daarna mts werktuigbouwkunde. Zijn ouders hadden een landbouwbedrijf en vonden een zoon met technische kennis mooi meegenomen. Maar hij zag zichzelf niet die kant opgaan. Sport was en is zijn passie. Zo kreeg hij interesse voor sporttextiel. Van der Tuuk ging aan de slag als vertegenwoordiger bij het Zwitserse bedrijf dat in die periode als enige schaatspakken fabriceerde. Toen zij hun licentie kwijtraakten, zag hij het gat in de markt en besloot erin te springen. Hij was toen 22. ‘In het begin was het heel amateuristisch, vanuit de garagebox’, zegt Van der Tuuk. ‘Gelukkig besefte ik toen niet hoe naïef ik was.’

Kennis over de juiste materialen deed hij op door het gewoon te proberen. In de praktijk kwam dat neer op heel veel beurzen bezoeken, waar hij stoffenfabrikanten probeerde te overtuigen een paar meter voor hem te weven of breien, zodat hij de stof kon uittesten. ‘Op zo’n kleine bestelling zit natuurlijk geen fabrikant te wachten. Maar degenen die toen met mij in zee gingen, zijn nu nog altijd mijn belangrijkste leveranciers.’

Vandaag hebben Van der Tuuk en zijn Poolse vrouw tien mensen in dienst op de ontwikkelafdeling in Assen en 120 in het productiebedrijf in Polen. Ze fabriceren sportkledij voor grote merknamen als Hunter, Craft en Asics. Zo hoeven ze niet aan marketing te doen, en kan Van der Tuuk zich richten op het ontwikkelen en maken van de kleding. Het verbeteren van de pakken, dat vindt hij het allerleukste.

Pasvorm
’Het ideale schaatspak, weet ik nu, is samengesteld uit verschillende materialen. Het ‘skelet’ van het pak moet uit stug polyethaan bestaan, want dat is nodig voor een goede pasvorm. Gebreide stoffen geven verder de ruwheid en tegelijk rekbaarheid die een schaatspak nodig heeft om aerodynamisch en tegelijk flexibel te zijn.’

Voor de Olympische Winterspelen in Turijn in 2006 ontwikkelde hij voor de Italiaanse schaatsbond een sneller pak. ‘Dat was een traject van drie jaar. Al die tijd verbetert je kennis.’ Veel Nederlandse schaatsers klaagden het afgelopen jaar over het nieuwe, te stugge pak van sponsor Nike, en dus trok dit keer de Nederlandse schaatsbond KNSB aan de bel. ‘We werken nu samen aan snellere outfits tot aan de Spelen in het Russische Sotsji, in 2014. Onderzoekers van de Vrije Universiteit en de TU Delft doen mee door de prestaties van onze kleding te testen, onder meer in een windtunnel.’

Aansluiten
Zijn vrouw doet de pasvorm en styling van de pakken. ‘We hebben een databank met de gegevens van alle internationale schaatsers, waardoor we precies de bovenlichaamlengte of de diameter van het dijbeen van Sven Kramer kennen.’ Maar schaatsers kunnen hun pak altijd nóg beter laten aansluiten. Zeker bij de eerste wedstrijden van het seizoen is Van der Tuuk altijd present met een vrachtauto vol persen en machines.

‘Mijn studie komt nog vaak van pas, al ben ik dan geen werktuigen gaan maken’, zegt hij. ‘Het computerprogramma dat we gebruiken om kledingpatronen te maken, werkt met een programmeertaal die ik ook van de machines op school ken. Het zit ‘m ook in kleine dingetjes. Ruimtelijk inzicht. Of de pop waarmee we onze pakken in de windtunnel testen bijvoorbeeld. Die kun je nergens standaard kopen, en heb ik dus maar zelf in elkaar geknutseld.’

EscenicId: 754683


Geef je reactie

Je kan een reactie ingeven op een artikel via jouw LinkedIn account.
We vragen je bij een reactie je voornaam, achternaam en functietitel - die tevens automatisch ingeladen zijn vanuit jouw LinkedIn profiel - in te vullen.

Via onderstaande link kan je inloggen met je LinkedIn account.
Aanmelden met je LinkedIn Account

Zoek artikel

Nieuws , Carrièretips , Columns , Interview , Leukste baan , Hoe zit het met mijn pensioen , Webspecial Nederlandse studentenonderzoek 2011 , Verdien ik wel genoeg , Migratiewijzer , Juridisch advies , Ontslag
Services VKbanen Deelsites VKbanen Andere sites van De Persgroep Nederland
© 2012 De Persgroep Nederland. Alle rechten voorbehouden. Lees de gebruiksvoorwaarden.
  • ACAP