
De waardering voor leraren stijgt, na jaren van vaak terechte kritiek. Cijfers laten zien dat het ook echt meevalt met de kwaliteit van de gemiddelde docent. Alleen leerlingen van uitersten – de hele slimmen en degenen met leerachterstanden – krijgen niet het onderwijs dat zij verdienen. Wim van de Grift, hoogleraar onderwijskunde, ziet ook dat tij binnenkort kenteren.
De Aziatische tijger rukt op, en wat doet Nederland? Het belijdt met de mond de noodzaak van een superieure kenniseconomie, maar laat intussen vele leerlingen zonder voldoende diploma’s het onderwijs verlaten. Het percentage leerlingen dat op 15-jarige leeftijd het basisniveau begrijpend lezen beheerst, is zelfs aan het dalen. Bij rekenen zijn er problemen met de basisbewerkingen en cijferen.
Voorspellers van succes
‘Dat is erg’, zegt Wim van de Grift. Hij is sinds een jaar hoogleraar
onderwijskunde in Groningen en sprak onlangs zijn oratie uit, gewijd aan
deze zorgelijke gegevens. ‘De prestaties van een leerling bij lezen en
rekenen op deze leeftijd maken uit of je later als volwassene 10, of 15
procent meer gaat verdienen – of niet.’ Vroege lees- en rekenprestaties zijn
individuele voorspellers van economisch succes. ‘Daarom heeft de laatste
jaren de nadruk weer gelegen op de basisvaardigheden in het onderwijs. Een
kind dat op de basisschool een achterstand heeft, loopt die later niet gauw
meer in.’
Relativering
Toch past bij deze somberte een serieuze relativering. Van de Grift: ‘Al zijn
we in prestaties iets aan het dalen, nog altijd doen we het in Nederland
heel goed ten opzichte van de landen om ons heen. Zowel leerlingen als
leraren presteren over de gehele breedte van het onderwijs goed. De
problemen zitten aan de randen. Aan de onderkant van het onderwijs groeit
het aantal slechte presteerders en we falen ook aan de bovenkant: de slimste
leerlingen doen het wel goed, maar excelleren niet.’ Zonder briljant jong
talent kun je een superieure kenniseconomie wel vergeten.
Nederlandse leraar kan het
Hogere instap-eisen voor pabo-studenten zijn er al, en ex-Onderwijsminister
Plasterk stelde een lerarenbeurs in om op staatskosten bijscholing te
ontvangen. Nederland let wel degelijk op zijn onderwijszaak. Van de Grift:
‘We moeten dus niet het beeld creëren dat de Nederlandse leraar het niet
kan, dat is pertinent onwaar. Hij is heel goed op de kernvaardigheden van
het leraarschap: hij geeft les in een veilig, stimulerend leerklimaat, de
lessen zijn goed georganiseerd, kinderen krijgen de stof helder uitgelegd en
er wordt niet te veel tegelijk gedoceerd, dat gaat allemaal prima.’
Uitersten
De leraar scoort alleen minder op die vaardigheden die juist nodig zijn om
de uitersten te ‘bedienen’, de kinderen met leerachterstanden en de zeer
slimme leerlingen. De Nederlandse leraar is minder sterk in het variëren met
onderwijsvormen, in het aanleren van strategieën hoe leerlingen iets moeten
leren - en niet zo goed in het inspelen op verschillen tussen leerlingen.
Als leraren deze lestechnieken meer zouden beheersen, profiteren leerlingen méér dan gemiddeld van het onderwijs. Een kind dat moeite heeft met leren, bloeit op van een op hem of haar aangepaste les. Net zoals een slimme leerling meer wordt geprikkeld door extra (moeilijke) taken dan door een standaardles.
Goede leraar? Leerprestatie stijgt
De leraar doet er dus absoluut toe doet. ‘De kwaliteit van een leraar
maakt ongeveer 20 procent verschil in leerprestatie uit’, zegt Van de Grift.
’Leraren die gevarieerder en gerichter lesgeven, kweken leerlingen die beter
opletten, beter presteren en ook beter leren, dat wil zeggen: dingen leren
die ze op meerdere terreinen kunnen toepassen.’ De verbetering van de leraar
is vooral nodig op wat genoemd wordt de ‘complexere vaardigheden’. Dat vergt
bijscholing en coaching van de docent.
De Groningse hoogleraar is ook hoofd van de academische lerarenopleiding UOCG. ‘In het hele land zijn initiatieven om de kwaliteit van het leraarschap te verbeteren. Hier in Groningen hebben we anderhalf miljoen euro gekregen om uit te zoeken wat eraan gedaan gedaan kan worden om de uitval van beginnende leraren in het onderwijs een halt toe te roepen. Doel is ook meer universitair geschoolde leraren voor de klas te krijgen. Niet alleen in de hoogste klassen van havo en vwo, ook in de onderbouw.’ In Groningen zijn dit studiejaar 50 bachelorstudenten begonnen met de ‘educatieve minor’ die hier speciaal op gericht is.
Interesse in vak stijgt
De interesse voor het leraarsberoep neemt toe, ondanks de klachten over
het salaris in het onderwijs en de vrees voor onhandelbare pubers en
adolescenten. In Groningen hadden in 2007 slechts 73 studenten zich
aangemeld voor de eerstegraads lerarenopleiding, in 2008 zestig, maar in
2009 werd een sprong gemaakt met 123 aanmeldingen. ‘De belangstelling trekt
hartstikke aan, glundert Van de Grift. ’De hooggekwalificeerde leraar is
weer trots op zijn vak en leraren durven zich weer kenbaar te maken op
verjaardagsfeestjes.’
Nieuwe generatie
Op de tweejarige academische opleiding werken studenten gedurende een jaar
aan hun master op hun eigen faculteit, en gaan aansluitend een jaar naar de
lerarenopleiding. Van de Grift: ‘Het tij kentert, er komt een nieuwe
generatie docenten aan die z’n vak wil overbrengen en in het onderwijs graag
lesgeeft op een manier die werkt. Heel nuchter.’
Wil je meer interviews lezen met mensen uit het onderwijs? Ga dan naar onze webspecial.