
Af en toe twijfelt de jonge cabaretier Carolien Borgers (26) nog over het nut van haar werk. Maar steeds vaker wordt ze bevestigd in haar overtuiging: zingen, grappen maken over ijdelheid en seks, mensen in verwarring brengen – dat is wat ze móet doen.
Op het podium verschijnt een meisje. Sexy jurkje, mooi krulhaar, lieve glimlach. De zaal applaudisseert, een paar mensen fluiten zelfs. Al klappend zet ze een ritme in. Ze stampt mee met haar laarzen en begint te zingen: ‘We will, we will rock you’. Hoog, schel en vals. Via Youtube zie je de zaal verstijven: dit moet een vergissing zijn.
Cabaretier Carolien Borgers (26) speelt graag met haar lievemeisjesuiterlijk. ‘Schattig lijken, maar het niet zijn. Dat vind ik leuk.’ Hoewel ze het stellig zegt, was het niet van meet af aan haar gimmick. Borgers studeerde in 2005 af aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie met een ontroerend liedjesprogramma. Collega-liedjesschrijver Maarten van Rozendaal werd boos: je presenteert jezelf als mooi lief meisje, maar je bent zoveel meer. Je moet je kut laten zien, zei hij. ‘Hij had gelijk. Ik verschool me achter die lieve liedjes en de piano. Maar als je van nature fel en scherp bent, kun je niet op het podium het brave meisje zonder mening spelen. Daar trapt het publiek niet in.’
|
Wie is Carolien Borgers? Geboren: 7 juni 1983, Breda Opleiding: vwo Etten-Leur (2001), Amsterdamse toneelschool en kleinkunstacademie (2005) Carrière: Ren Lenny Ren, rockopera van Acda en de Munnik (2005), eindexamenvoorstelling de Vuurtorenwachtersdochter (2005), solovoorstelling Snars (2008/9) en vanaf 2010 met nieuwe voorstelling Makkelijk Praten op toernee. Verder doet Borgers presentatie- en reclamewerk. Ze woont in Amsterdam-West. |
Ze toerde met de rockopera Ren Lenny Ren van Acda en de Munnik door het land. En met de cabarestafette, voor ‘veelbelovende jonge cabaretiers’. Vorig jaar speelde Borgers haar eerste solovoorstelling Snars, door theaters omschreven als ‘wervelende show vol levensterreur’. In het programma maakt ze dankbaar gebruik van haar ‘lieve’ verschijning en initiële onzekerheid in het vak. Het was zo’n succes dat haar debuutshow dit seizoen in reprise gaat in grotere theaters.
Je hoort vaak: vrouwen zijn toch helemaal niet grappig.
‘Tot op zekere hoogte klopt dat ook wel. Ik ken meer grappige mannen dan vrouwen. Maar de grappige vrouwen die ik ken zijn niet minder grappig. Ze zijn dun gezaaid, omdat meisjes anders worden opgevoed en vriendinnen onderling niet via humor communiceren. Jongens wel. Humor kun je kweken. Het is een manier van kijken naar dingen. Een beetje aanleg is wel handig natuurlijk.’
Hoe heb jij het geleerd?
‘Meisjes praten over relaties, zware dingen. Ze analyseren. Maar ik ben altijd
veel met jongens opgetrokken. Ik was geen meisje-meisje, hield van
voetballen en skaten. Dan moet je wel grappen maken, anders kan je gewoon
niet mee. Het maakt alles makkelijker. Iets onverwachts zeggen, de sfeer
breken. Dat heb ik ontdekt over humor, het gaat ademen. Het kietelt ook wel
als je een goeie grap maakt en mensen lachen – dat is een heel fijn gevoel.
Fijner dan iemand die zegt: dankjewel je hebt me echt geholpen, ik weet nu
beter wie ik ben. Dat is ook fijn, maar het is leuker als iemand lacht.
‘In het theater merk ik wel dat mensen het niet gewend zijn. Een meisje in een
mooi jurkje dat grove dingen zegt en harde grappen maakt. Soms komen mensen
naderhand naar me toe: moet je nou zoveel schelden? Terwijl ik helemaal niet
veel scheld, maar door mijn foto op de poster denken ze waarschijnlijk: oh,
daar kunnen we wel naar toe, dat is lekker veilig.’
Haar podiumliefde ontlook – ‘cliché hè?’ – op de lagere school. Als zesjarige
deed Borgers mee aan een playbackshow. Ze deed Ik voel me zo verdomd alleen,
uit Ciske de Rat. ‘Maar ik begreep het principe van playbacken niet zo goed
en zong mee. Keihard. Toen zei juffrouw Bertha: ‘Dat was heel goed wat jij
deed.’ Ik dacht hè, echt? Ik had geen techniek, het waren maar vijf noten,
omhoog kon ik niet, maar wel heel hard.’
Ze bleef zingen, in coverbandjes, maar vooral in het theater. ‘Ik wilde niet
per se muzikant worden. Dat vond ik te eenzijdig, maar ik wilde wel op een
podium staan. Toneelspelen, verhalen vertellen. Op een poppodium voel ik me
niet op mijn gemak. De sfeer is er anders. In het theater is de code: dit
zijn de vier muren en als je binnenkomt bepaal ik wat er de komende
anderhalf uur gaat gebeuren. Jullie mogen gaan zitten en ik probeer jullie
mee te nemen. Dat is voor mij de magie van theater. Bij een concert is het
geweldig als de zaal uit zijn dak gaat, maar het is minder persoonlijk,
minder kwetsbaar ook. In een theater is je kwetsbaar opstellen noodzaak.
Puurheid, eerlijkheid. Je staat er ook echt gewoon op dat moment een verhaal
te vertellen.’
Dus na het vwo meteen naar de kleinkunstacademie.
‘Ik wilde wel, maar durfde niet te kiezen. Bijna ben ik nog rechten gaan
studeren. ‘Iets normaals’, zoals mijn vriendinnen. Ik kwam uit Etten-Leur.
Hoezo zou ik goed zijn in het theater? Ik had een sterke wens tot
bevestiging. Er waren wel mensen die zeiden: daar moet jij iets mee. Maar
dat was nog steeds in Etten-Leur. Pas toen ik via een scholenproject op
radiozender 3FM mocht zingen, veranderde dat. Ineens werd ik gebeld door een
producer die zei ‘ik wil met jou werken, ik vind je goed’. Dat was
bijzonder. Voor het eerst was er iemand van buiten die iets in me zag. Dat
sterkte me, ik begon te denken: oh dus ik kan dit wel echt.’
Borgers ging naar de kleinkunstacademie. In 2001, het jaar dat de opleiding
net gefuseerd was met de toneelschool. De leerlingen kregen de ene dag les
van Paul de Leeuw, de volgende dag van toneellegende Ton Lutz.
Hoewel ze het toneelspelen leuk vond, haalde ze er niet dezelfde intense
sensatie uit als bij het zingen. ‘Ik vind toneel mooier om naar te kijken
dan om zelf te doen. Ik transformeer van nature makkelijker naar mijzelf op
een podium dan naar een personage. Als ik een lied zing, voel ik zoveel
meer. Het horen van je eigen geluid.’ Wijzend: ‘Hier, in mijn buik. Dan valt
het samen met wie ik ben’, zegt ze, terwijl ze limonade inschenkt aan haar
keukentafel – roodwit geblokt kleedje, geelgroene muur – in Amsterdam West.
Vanuit de keuken is de piano in de slaapkamer zichtbaar, de tuin wordt
overwoekerd door brandnetels.
Ging het als cabaretier meteen goed?
‘Oh, nee. Ik heb vaak gedacht: dit werkt niet, dit is niet goed. Op school was
alles nog vrij veilig, maar toen ik voor het eerst ging try-outen met mijn
eigen programma, ben ik een aantal keer snoeihard op mijn bek gegaan. Ik
probeerde op het podium te doen wat ik anderen zag doen. Het publiek zat er
echt zó bij. (Speelt een verveelde gefronste blik, achterover geleund)
Vreselijk. Aaaah, dacht ik dan, ze hebben geen idee wat ik aan het doen ben.
En erger nog: ik ook niet.’
Blijkbaar
heb je het succesvol bijgeschaafd. Je gaat in grotere zalen spelen. Maakt
dat nog wat uit?
‘Het is een totaal andere dynamiek. In kleine zalen heb je een vlakke vloer.
Jíj kijkt tegen het publiek op. In grote zalen kijken zij, vanuit de bak
naar jou op. Van klein en bescheiden ga je naar ‘I rule’. Daar moet je
mentaal klaar voor zijn.’
En dat ben je?
‘Volgens mij wel. Ik heb onlangs op de Amsterdamse Uitmarkt mijn nieuwe
materiaal uitgeprobeerd. Ik stond in het Compagnietheater geprogrammeerd.
Voor mij is dat een gerenommeerde zaal en ineens sta ík daar. In mijn eentje
op het podium. Het was doodeng. 260 mensen in de zaal en nog 80 erbuiten. Allemaal
voor mij, denk ik dan. Oké, het is natuurlijk gratis, dus het zegt niet zo
veel. Maar toch. Twee jaar terug stond ik ook op de Uitmarkt en toen was er
een handjevol mensen.
‘Dan gaan er dingen goed en slecht. Van die punchlines die niet vallen, dat er
niemand lacht. Dan wacht je even, denk je ‘nu komt-ie’ en dan komt er niks.
Note to self: die gaat er uit, denk ik dan.’
Het haalt je niet meer onderuit?
‘Nee. Vroeger zou ik hebben gedacht: ze vinden mij niet leuk, ze willen weg.
Nu denk ik alleen maar, oké ik was dus niet duidelijk genoeg. De sprong was
te raar of de timing niet goed. Nu weet ik, daar is een try-out ook voor: je
probeert. Het publiek vergeeft je ook wel wat.’
Laatst trad Borgers nog op voor een zaal met welgeteld zeventien mensen. Op de
Uitmarkt in Druten. Lachend: ‘Fijn dat jullie er wél zijn, heb ik gezegd.’
Vroeger zou het haar geraakt hebben. Nu denkt ze: slecht aangekondigd, stom
van de organisatie. Hoewel ze hoopt dat in de toekomst haar naam alleen al
genoeg is om volle zalen te trekken. Vrolijk: ‘Maar zo is het nu gewoon nog
niet.’
De eerste vijf minuten, daar gebeurt het. ‘Dan moet je de chemie vinden met je
publiek.’ Wat dat precies betekent, vindt ze moeilijk uit te leggen. ‘Dat ik
het gevoel heb dat de lijnen openstaan tussen mij en het publiek. Niet dat
ze letterlijk moeten gaan schreeuwen. Een zaal met honderdvijftig,
tweehonderd mensen wordt één entiteit. Zoals je ook kan voelen dat iemand je
niet mag zonder dat diegene onaardig doet – zoiets is het. Ik voel het als
de zaal me ‘mag’. Dat voelt heel anders dan een zaal die erbij zit met een
houding van: nou, dat moet ik nog maar eens zien.’
Als de zaal me ‘mag’, weet ik dat ze met me meegaan, dat we feitelijk samen op
dat moment hetzelfde beleven. Als je dat voelt, dan ga je vliegen. Dan ga ik
op en voor ik het weet is het anderhalf uur later. Na zo’n optreden kan ik
nooit slapen, dan stuiter ik van energie. Moet ik nog zeker twee uur iets
doen, omdat ik helemaal vol zit.’
Maar zo voelt het niet altijd. Soms wordt ze overvallen door Grote Twijfel.
Over haar Nut. ‘Mijn ouders hebben tastbare beroepen. Ingenieur en jurist.
Het is duidelijk wat zij doen, het draagt economisch iets bij en heeft
daardoor bestaansrecht. Maar kunst? Ik vind het lastig. Het is wat ik wil
doen, moet doen¿. Als iemand zegt: ik heb de hele dag belangrijke dingen
gedaan bij KPN, dan lijkt het soms of diegene er wel echt bijhoort en ik
niet. Voor mijn gevoel hoor ik minder bij ‘de arbeidsmarkt’ en dat zorgt wel
voor vragen.’
Hoe praat je dat voor jezelf goed dan?
‘Nog niet echt eigenlijk. Gelukkig zien mijn ouders steeds meer de kwaliteit
in van wat ik doe. Dat ik energie genereer, mensen kan inspireren.
Letterlijk: dat ik iets bijdraag. Want dat is belangrijk. Ze hebben het wel
goedgekeurd. Het mag. Het klinkt misschien raar, maar ik zou het heel erg
vinden als dat niet zo was. Ik heb wel vrienden waarvan de ouders
verzuchten: jij met je kunstdingen, wanneer is die bevlieging nou eens
over.’
Toen Borgers net begon, speelde ze overal gratis. In alle uithoeken van het
land. Dan belde ze zelf het theater en zei: hallo ik ben Carolien en ik wil
graag komen spelen. Zeiden zij: meisje, er zijn zestien impresariaten met
allemaal een eigen stal met grote namen en daar hebben we contracten mee.
Wie ben jij?
‘Zo werkte het dus niet. Iedere beginnende podiumkunstenaar moet een
impresariaat hebben. Zonder lukt het niet. Een vriendin van mij heeft het
zelf geprobeerd, die was gebroken na een jaar. Het is storend, maar ook wel
veilig dat het zo werkt. Het kwaliteitsniveau blijft gegarandeerd. Je komt
niet bij een impresariaat als je niks kan. En als je geen goed werk levert
wil de theaterdirecteur je niet meer, want dan komt er geen publiek. In die
zin is het principe toch vrij economisch. Gewoon vraag en aanbod. Ha, dus
toch. Gelukkig maar.’
Ben je nooit bang dat de zalen bij jou leeg zullen blijven?
‘Ik denk dat, als ik hard genoeg werk, mij dat niet overkomt. Ik ben als
podiummens nog niet af – ik leer mezelf steeds beter kennen. Als het goed
is, blijft het groeien. Een goed programma maken kost tijd. Dat zie ik om
mij heen. De meeste cabaretiers zijn zeker vier, vijf jaar bezig geweest om
zich te ontwikkelen. Ik zou niet in een klap ‘groot’ willen zijn. Dat is
niet goed, dan word je lam in je hoofd van alle dingen die op je af komen.
Je kunt beter rustig de basis helder hebben, weten wat je doet op het podium
qua vorm en stijl. Dan kan je ook niet vallen.’
Je maakt grappen over al je verslonden vriendjes, over ijdelheid, over
seks. Hoe autobiografisch zijn je teksten?
‘Niet. Ik haal natuurlijk wel inspiratie uit mijn eigen omgeving, maar ruk
alles uit z’n context. Ik schrijf denk ik ook over mijn generatie, over wat
ons bezighoudt. We zijn de boeiuh, chilluh- generatie. Allemaal kinderen van
ouders die hard gewerkt hebben, die weer producten zijn van ouders die de
oorlog meegemaakt hebben. Ze hebben geld verdiend door dat harde werken en
wij zetten ons daar tegen af. Bij ons gaat het niet om geld, maar om
ontwikkeling en gelukkig worden. Daar is iedereen in mijn omgeving wel zo
ongeveer mee bezig. Ik probeer die onderwerpen te onderzoeken.’
Zoek je maatschappelijke relevantie?
‘Nee, absoluut niet. Je moet op het podium iets doen dat bij jóu past. Bij
Hans Teeuwen is dat op zijn krankzinnige, geniale manier mensen aan het
lachen maken en Jan Jaap van der Wal kan weer heel grappig en goed
analyseren. Dat moet hij doen.’
En jij?
‘Pfff. Ik ben er nog niet. Ik wil mensen graag wijzen op hun vaststaande
ideeën, confronteren met hun vooroordelen. Ik wil graag verwarren. Of ik dat
goed doe, moet nog blijken.’
Kun je er al van leven?
‘Voor cabaret is geen subsidie aan te vragen. Je moet alles zelf doen,
technicus betalen, decorontwerper, regisseur, impresariaat. Je verdient de
uitkoopsom van het theater en als je boven een bepaald aantal mensen zit,
krijg je nog wat extra.
‘Ik moet dingen ernaast doen om genoeg geld te verdienen. Ik spreek soms
reclames in, doe presentaties voor bedrijven, dat soort dingen. Dat vind ik
niet vervelend hoor. Ik leer ervan. Soms gebruik ik ook dingen voor mijn
programma. Laatst moest ik bijvoorbeeld praten over vrouwen in een
mannenwereld, voor een zaal met negentig vrouwen en zes mannen. Dat stukje
gaat terugkeren in mijn nieuwe show.’