
Ze was een van Nederlands invloedrijkste ambtenaren, maar een wethouderschap in Amsterdam leek Andrée van Es (57) nog leuker. Ze mist de mensen op haar ministerie nu al: ‘Ze hebben allemaal hart voor de publieke zaak.’
Ze is een beetje van beide steden, zegt Andrée van Es (57). ‘Ik ben geboren in Den Haag en woon al 35 jaar in Amsterdam.’ Sinds vorige maand is Van Es wethouder van Werk, Inkomen, Participatie, Diversiteit en Integratie, Inburgering en Bestuurlijk Stelsel in Amsterdam. Een hele mond vol.
Ze heeft afscheid genomen als directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties bij het ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag, maar mist de mensen met wie ze tweeënhalf jaar intensief heeft samengewerkt nu al. Niettemin is ze blij met haar keuze voor het wethouderschap, zegt Van Es in haar werkkamer met uitzicht over de Amstel. ‘Ik ben ontzettend verknocht aan Amsterdam. Het is prachtig bestuurder te zijn in je eigen stad.’
|
CV Geboren: 26 januari 1953, Den Haag Opleiding: Rechten, Utrecht. Carrière: 1975 fractiemedewerker PSP (voorloper GroenLinks) 1980 juridisch medewerker Jongeren Advies Centrum Amsterdam 1981 Tweede Kamerlid PSP 1985 fractievoorzitter PSP 1991 voorzitter Cie. Toekomst Leraarschap 1993 groepsredacteur Radio 1, VPRO 1997 lid Raad van Openbaar Bestuur 1999 directeur De Balie 2002 voorzitter Geestelijke Gezondheidszorg Nederland 2007 directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties, ministerie van BZK 2010 wethouder Inburgering en Integratie Amsterdam. |
Terwijl ze als topambtenaar vooral een adviserende rol had, staat ze na jaren weer middenin de politieke arena, die ze twintig jaar geleden verliet toen ze haar werk als Tweede Kamerlid voor de PSP en GroenLinks beëindigde. ‘Dat voelde vanaf de eerste dag goed. Toen ik de eerste keer in de gemeenteraad stond, dacht ik na vijf minuten: het is eigenlijk net als fietsen, je verleert het niet.
‘Als politicus sta je meer in de wind, je neemt beslissingen en moet verantwoording afleggen. Ik sta nu dichterbij vraagstukken die mensen raken. Er zijn 40 duizend werklozen met een bijstandsuitkering in Amsterdam, van wie achtduizend jongeren. Daar wil ik wat aan doen.’
U bent relatief kort topambtenaar geweest.
‘Ja, ik vind het grootste nadeel dat het te kort heeft geduurd. Dat mensen bij
Binnenlandse Zaken mijn vertrek jammer vonden, was voor mij strelend. Ze
zeiden: we begrijpen het goed. Het is fantastisch voor Amsterdam, maar voor
ons is het waardeloos.’
Wat deed u als directeur-generaal?
‘Je hebt een secretaris-generaal en daaronder een aantal directeuren-generaal.
Zij zijn gezamenlijk het kruispunt tussen de ambtelijke organisatie en de
politieke top. Dus aan de ene kant gaf ik leiding en was ik het boegbeeld
van mijn directoraat-generaal. Aan de andere kant was ik een van de
belangrijkste adviseurs van de bewindslieden. Ik heb altijd gezegd dat het
een positie met twee gezichten is. Mensen verwachten dat je vooraan staat.
Tegelijkertijd ben je ambtenaar, dan moet je dus onzichtbaar zijn. Het gaat
uiteindelijk om de bewindslieden.’
U kwam als buitenstaander binnen bij de rijksdienst. Was dat lastig?
‘De meeste mensen komen rond hun 25ste binnen op een departement en groeien
dan binnen de organisatie. Langzaamaan leren ze de mores kennen. Maar je
kunt het ook doen zoals ik, door veel ervaring op te doen op veel andere
plekken. Ik moest kennismaken met het departement en de rijksdienst en
wennen aan mijn rol. Maar omdat ik van buiten kwam, nam ik wel een frisse
wind mee. Ik vind het nog steeds belangrijk dat de rijksdienst mensen van
buiten probeert te halen.
‘Uiteindelijk gaat het erom dat je in een complexe organisatie met complexe vraagstukken kunt omgaan. Dat kan door flexibel te zijn, door niet te schrikken van een beetje tegenwind en door de rust te bewaren. Dat zijn zo’n beetje de eigenschappen die je als topambtenaar moet hebben. In mijn begindagen had ik onmiddellijk een bomvolle agenda en moest ik rennen van het een naar het ander. Toen zei een secretaris-generaal tegen me: ‘Andrée, les één: een d-g rent nooit. Je moet rust uitstralen’.’
Waar kon u moeilijk aan wennen als directeur-generaal?
‘Aan de mate van hiërarchie. Het gaat toch erg om posities en dat voelde ik
zelf ook als directeur-generaal. Ik was gewend om als zelfstandige te werken
of in platte organisaties. En toen kwam ik terecht in een klassieke
bureaucratie met parafen, waar mensen opkijken naar een directeur-generaal.
Opeens was ik behalve mezelf ook de d-g.
‘Ik heb geprobeerd daar iets aan te veranderen, omdat ik het belangrijk vind toegankelijk te zijn voor je medewerkers. Dat kan in de vorm van een wekelijks spreekuur iedere maandagochtend. Ook vind ik het belangrijk om jonge medewerkers vertrouwen te geven. Ze moeten de ruimte krijgen om fouten te maken zonder dat ze daar meteen op worden afgerekend.’
Heeft u nog meer kritiek?
‘Ik heb altijd veel vragen gesteld. Waarom is dit zo? Het antwoord was dan:
omdat we het altijd zo doen. Ik heb een keer een documentaire gezien over de
componist Varèse, die zei: ‘ Traditie. Ach, traditie is vaak niet meer dan
dertig jaar slechte gewoonten.’ Ik houd ook wel van traditie, hoor. Maar je
moet je je ook blijven afvragen of het anders kan.’
Welke traditie heeft u overboord gezet?
‘Bij de jaarlijkse kerstborrel zongen de directeuren altijd met een muts op
een lied. Dat is niet helemaal mijn ding. Ik vond het leuker om een open
poëziepodium te organiseren. Iedereen mocht een gedicht uitzoeken of maken.
Ik zei: medewerkers mógen voordragen, leidinggevenden moeten.
‘Dat was natuurlijk met een knipoog bedoeld, maar in een ambtelijke organisatie betekent dat: de d-g zegt het, dus het moet. Iedereen ging aan de slag met dichtbundels en het was fantastisch. Leidinggevenden moesten zich opeens van een heel andere kant aan hun medewerkers laten zien. Veel kwetsbaarder. Bij mijn afscheid hebben ze voor mij dichtregels uitgezocht en gemaakt. Ik was daar erg door geroerd.’
Hoe kijkt u terug op uw periode als topambtenaar?
‘Heel positief. Ik heb ontzettend hard gewerkt. Het is echt een van de
zwaarste bestuurlijke banen in Nederland. Ik vind de complexiteit van de
overheid interessant, juist omdat je op dat kruispunt zit tussen ambtelijke
organisatie en politieke top. Ik heb met ongelooflijk plezier met de
medewerkers gewerkt, omdat ik echt onder de indruk was van hun
deskundigheid, loyaliteit en betrouwbaarheid.
‘Als er iets moest gebeuren, kon ik dag en nacht een beroep op ze doen. Ze hebben allemaal hart voor de publieke zaak. Ze gaan voor een minister of staatssecretaris, van welke politieke kleur ook, door roeien en ruiten om hem of haar zo goed mogelijk te positioneren.’
Waar komt die loyaliteit vandaan?
‘Die is er niet vanzelf. Laat ik zeggen dat het in de ambtelijke organisatie
niet moeilijk is om weg te zakken of verzuurd te raken. Dat is toch wel een
valkuil. Het gevoel te krijgen van: het zal mijn tijd wel duren, er komt
straks toch weer een ander kabinet en dan willen ze weer andere dingen. Ik
heb daarom altijd mijn best gedaan mensen te motiveren door ze vertrouwen te
geven en verantwoordelijkheid. Het belangrijkste voor hen was toch vaak dat
ze bij bewindslieden aan tafel konden zitten om thema’s politiek verder te
brengen. Als mensen die kans kregen, zag je ze opbloeien.’
Vorig jaar werd u door het blad Opzij uitgeroepen tot meest
invloedrijke vrouwelijke ambtenaar in Nederland. Wat vond u van die
uitverkiezing?
‘Daar moest ik wel een beetje om lachen. Ik was niet de meeste invloedrijke
topambtenaar. De redenering van Opzij was gebaseerd op het aantal
nevenfuncties die iemand heeft. Nou ja, als je dat optelt, dan kan ik me
iets bij die uitverkiezing voorstellen. Maar ik zou zelf zeggen dat
directeur-generaal Laura van Geest van het ministerie van Financiën de
belangrijkste topambtenaar in Den Haag is. En niet alleen van de vrouwen.’
Is het moeilijk om als vrouw aan de top te staan bij de overheid?
‘Dat is persoonlijk. Ik heb het zelf niet als moeilijk ervaren, maar dat komt
ook omdat ik me niet omhoog heb hoeven knokken. Maar in de top is het toch
wel een old boys network. Die jongens zijn ooit samen begonnen en kennen
elkaar intussen door en door. Je ziet dat vrouwen moeite hebben om het
gevecht aan te gaan, met ellebogen te werken. Dat verandert heel langzaam.’
Politieke partijen, waaronder uw partij GroenLinks, willen bezuinigen op
het ambtenarenapparaat. Mee eens?
‘Ik vind het over het algemeen iets te gemakkelijk gezegd, want bij de
overheid werken veel mensen in de uitvoering en op de departementen werken
maar tienduizend ambtenaren. Daar kan niet veel van af, want dan doe je
schade aan de beleidsprocessen.
‘Tegelijkertijd moet je wel kritisch blijven kijken naar de omvang en de taken van de rijksdienst. Is alles nou zo belangrijk? Een ambtelijke dienst heeft de neiging uit te dijen. Dus in die zin is het goed wat politieke partijen zeggen, maar je moet ontzettend oppassen voor populisme. En je doet ambtenaren onrecht aan, want ze werken echt hard.’
Dus de vooroordelen over ambtenaren die lui zouden zijn kloppen niet?
‘Nee, echt niet. (Fluisterend) Nou, misschien een enkeling. Maar ik ben de
meest inventieve en creatieve mensen tegengekomen. Die problemen
handenwrijvend tegemoet treden. Dat was een openbaring voor mij.’
EscenicId: 763821
Zijn cv bekleedt nog maar net 2 A-4tjes en loopt over van de certificaten, ...
Polen zien werk in Nederland als basis voor hun toekomst in Polen. Zo ziet ...
Werkgevers willen medewerkers die ongezond leven, op het matje kunnen ...
45 procent van de Nederlandse werknemers is het met elkaar eens: in liefde ...
Op kantoor liggen de snoepjes, koekjes en traktaties vaak voor het graaien ...