
In deze Boekenweek over humor spreekt Volkskrant Banen met de enige vrouw in Nederland die een dagelijkse column schrijft, Aaf Brandt Corstius (32).
Vind jij jezelf grappig?
‘Wat een rotvraag. Ik vind mezelf wel een beetje grappig, anders zou ik dit genre niet beoefenen. Ik kan best een hele suffe dag hebben, dat ik heel saai ben en duffe gesprekken voer. Dan ga ik voor het stukje even leuk doen. En soms heb ik helemaal geen humor, dan denk ik: dan maar even niet.’
Ze wilde actrice worden, als kind. Dat leek haar een glamoureus beroep. En verhalen schrijven deed ze ook. Toen ze 7 was schreef ze een opstel over een pianokruk die wegloopt van huis. De kruk is het zat dat er telkens mensen op hem gaan zitten. Ze vond het verhaal onlangs na jaren terug, in een map met oude opstellen, en moest er smakelijk om lachen.
Aaf Brandt Corstius: ‘Er staan van die gekke zinnen in als: ‘Het meisje Merel – zo heet mijn zus – kwam ’s ochtends beneden en zag dat de pianokruk weg was. Ze wilde het aan haar vader vertellen, maar die lag zo lekker te maffen dat ze hem niet wakker durfde te maken.’ Maffen! Dat ik dat woord gebruikte! Wat raar! Waarschijnlijk vond ik het stoer dat ik het kende. God, wat schreef ik toen eigenlijk leuk.’
Moet je hardop lachen als je je eigen stukjes in de krant leest?
‘Soms, een beetje. Gisteren zat ik te schrijven en moest ik een beetje giechelen. Mijn vriend vroeg: Zit je nou om jezelf te lachen? Maar als ik ’s ochtends die stukjes teruglees, als ik er een hele dag aan heb zitten schaven, en dan ben ik vooral heel kritisch op mezelf. Soms denk ik, jeetje, wat flauw. Maar ik vind ze ook wel leuk, anders zou ik ze niet in de krant durven zetten.’
Je hebt vertaalwetenschappen gestudeerd. Waarom?
‘Mijn stiefmoeder gaf les op die opleiding. Ik dacht: dat is wel wat voor mij, ik heb in Amerika gewoond, ik spreek goed Engels. Het was meer een praktische keuze dan dat ik nou voelde: ja, ik ga vertaler worden. Op je 19de weet je ook helemaal niet wat je wilt worden. Dan is alles nog zo onduidelijk.
‘Na een paar jaar zag ik dat ze bij Folia, het universiteitblad van de UvA, een leerlingredacteur zochten. Toen dacht ik: daar moet ik op reageren. Ik had bij de schoolkrant gezeten. Dat vond ik zo gezellig, met z’n allen in een lokaal, een beetje lullen en brainstormen. En dit was een betaalde baan. Na twee weken bleek al dat ik het bij Folia duizend keer leuker vond dan bij mijn studie, die ik overigens wel heb afgemaakt. Maar ik besteedde al mijn tijd aan het blad. Ik zat daar vijf dagen per week.’
Heb je er veel geleerd?
‘Ja, heel veel. Onder druk werken, vooral. Nu zeggen mensen: oehhh, élke dag een stukje tikken! Dan denk ik, bij Folia moest ik soms wel vier stukken in de week schrijven, lange stukken. En dat deed ik gewoon. Dat deed iedereen, we waren maar met weinig. Het was: snel werken, niet veel zeuren.’
En heb je ook leren schrijven? Was daar tijd voor?
‘Arjen Fortuin (nu journalist bij NRC Handelsblad, red.) was mijn mentor. En die heeft me één belangrijke les geleerd: je moet een stuk goed beginnen. Mijn eerste stukje begon ongeveer zo: ‘Van 1700 tot 1920 was de boekdrukkunst in opkomst.’ Echt zo ontzettend saai! Toen zei Arjen: als mensen deze zin lezen, gooien ze het krantje meteen weg. Dat heb ik vrij snel ter harte genomen.’
Vorig jaar verscheen Het jaar dat ik 30 werd, een bundel over je relatie met een man in Amerika. Een recensent vroeg zich af waarom je niet meer probeert dan ‘chicklit’.
‘Ik werd als een grote belofte neergezet, alsof ik een enorme ideeënroman in mijn la heb liggen met allemaal Platonische en Aristotelische gedachten, en dat ik dit boek alleen indeze vorm heb geschreven omdat het goed verkoopt. Dat is helemaal niet zo! Het boek is helemaal niet zo’n bestseller. En ik heb bij een uitgeverij gewerkt, dus ik weet hoe ontzettend slecht je ermee verdient.’
Twijfelde je aan het bestaan als schrijver?
‘Ik freelancete toen. Dat is wel leuk, maar het is leuker als je een vast ding hebt, zoals een column. Dan kun je een naam opbouwen. Als je gewoon voor hutsefluts allemaal stukjes aan het schrijven bent, geeft dat niet echt een richting. Dus ging ik drie dagen op de uitgeverij werken, als redacteur, en twee dagen zelf schrijven. Maar ik merkte dat ik vooral zélf wilde schrijven. Anderen begeleiden is best leuk, maar soms denk je: ik kan het zelf veel beter.’
Wil je ooit nog een roman schrijven?
‘Ja. Maar ik weet niet wanneer, want ik heb er geen tijd voor.’
Waar zou het over moeten gaan?
‘Over mijn jeugd, zoals zo ongeveer elke eerste roman over de jeugd van de schrijver gaat. Ik heb een grappige jeugd gehad en ik kan er ook leuk over vertellen.’
Er zijn geen andere vrouwelijke columnisten die elke dag publiceren. Hoe komt het dat het jou is gelukt?
‘Ik heb het geluk gehad dat nrc next er kwam, een krant die zich richt zich op dertigers. Ze wilden graag een vrouw, want er zijn al zo veel mannelijke columnisten. En toen kwamen ze bij mij.’
Wat had jij dat anderen niet hadden?
‘Ik denk dat ik goed ben. Ze hebben me niet alleen maar aangenomen omdat ik een vrouw ben.’
Wat maakt jou goed?
‘Keiharde discipline. Er zijn meer mensen die af en toen een leuk stukje kunnen schrijven, maar je moet het elke dag doen. Je moet ook niet zeuren als het even niet gaat en je moet geen artistieke crises of writers blockjes hebben.’
Niet zeiken dus.
‘Je moet een heel gestaag iemand zijn. Dat heb ik van mijn vader geleerd (Hugo Brandt Corstius -red.), die heeft heel lang een dagelijkse column gehad in de Volkskrant. Hij ging gewoon naar boven om te tikken, en als hij naar beneden kwam, was het klaar. Niet met je handen in het haar, en dan van: ’Oohhhh, wat moet ik?’
Kun je jezelf ook een schop geven in tijden van groot verdriet een schop geven?
‘Ik had een begrafenis van iemand die ik liefhad. Ik moest mijn column schrijven en dacht: ik heb geen inspiratie.Toen heb ik toch maar wat geschreven. Nou ja, dacht ik, dan heb ik vandaag maar een slechte column. Mijn vriend zegt altijd: je kunt niet elke dag een gouden ei leggen. Je moet het proberen, maar als het niet lukt moet je jezelf niet slaan.’
|
Wie is Aaf Brandt Corstius Geboren: 3 maart 1975 in Haarlem Opleiding: Vertaalwetenschap (UvA) Carrière: 1997-2003: redacteur en columnist bij Folia; 2003-2004: redacteur bij Elle 2004-2006: freelance journalist bij onder meer Elegance en Cosmopolitan 2006: columnist bij nrc next. Boeken: Succesvol studeren in het buitenland (2000), twee eetgidsen over Amsterdam, Het jaar dat ik 30 werd (2006). In april verschijnt de bundel Als je je ogen dicht hield, had het iets van glamour. |
Tips 1. Vind een plek om te gaan schrijven, hoe klein of marginaal ook. Ik had bij Folia geluk. Als je veel leuke ideeën hebt en denkt: ik zou columnist moeten worden, schrijf er dan eerst eens honderd op. Zorg dat je opvalt. Maak een weblog. En vul die met regelmaat aan. 2. Zorg dat je iets meemaakt. Alleen maar zielenroerselen uit je eigen hoofd, dat is zeer eindig. 3. Oefen op korte stukken, die zijn veel moeilijker dan lange. |
In het weekblad Volkskrant Banen staan elke week interviews met prominente werknemers of werkgevers. Dit is een verkorte versie van het uitgebreide vraaggesprek van deze week.
EscenicId: 656177
Om erachter te komen waar je precies gelukkig van wordt op je werk, is het ...
Docenten hebben een belabberd imago. Het gevolg, zegt Nederlands bekendste ...
Voor het eerst staat een Chinese topbankierster, Xiaoyan Yan, een westerse ...
Amazon is voor veel bedrijven een goudmijn geworden: de winkel deelt ...
Ze was een van Nederlands invloedrijkste ambtenaren, maar een ...